Reiservaringen en (eigen)aardigheden


 Subforum Algemene Indonesiëpraat 
106 bezoekers





Startpagina
Je bent nu in > Forum > Algemene Indonesiëpraat > Bekijk onderwerp

18-01-2015 01:48 · [nieuws] Politieagent Indonesië gepakt met xtc-pillen  (0 reacties)
18-01-2015 01:32 · [nieuws] Nederlander Ang Kiem Soei geëxecuteerd in Indonesië  (3 reacties)
17-01-2015 01:27 · [nieuws] Brandstofprijzen opnieuw flink verlaagd  (0 reacties)
16-01-2015 02:13 · Indonesië gaat veroordeelde Nederlander executeren  (160 reacties)
05-08-2014 23:16 · [nieuws] Jakarta wil parkeermeters gaan plaatsen  (0 reacties)

nieuw onderwerp | reageer | nieuwste onderwerpen | actieve onderwerpen | inloggen
Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Anne Mieke schrijft: “En wat is een zinvolle bijdrage? Als je schrijft vanuit je hart of vanuit jouw kennis denkwijze of ervaring dan is het altijd zinvol.”
Dat is juist. Ik bedoel dat ik me niet bemoei met ellenlange discussies over zaken die mij slechts zijdelings raken. Vaak wordt het grof of worden dingen wel erg negatief benaderd. Best leuk om te lezen, maar ik reageer alleen op onderwerpen waar ik uit ervaring iets zinvols kan bijdragen. Deze topic is zinvol en koren op mijn molen.
Een jaar of 15 geleden ging ik voor het eerst naar Indonesië. Dat deed ik nadat ik een twintigtal andere populaire en exotische landen had bezocht. Na twee weken door Java te hebben gereisd, had ik al besloten om hier elk jaar weer terug te komen en de andere landen te laten wat ze waren. Nergens is de natuur mooier dan in Indonesië. Misschien is het de afwisseling van de landschappen: schitterende rijstvelden en terrassen, afgelegen vulkanen, begroeide bergen en groene oerwouden. Misschien zijn het de vele eilanden met verschillende volkeren en culturen. Misschien is het de vriendelijkheid en gastvrijheid van de bevolking, waar je ook bent in Indonesië. Misschien zijn het de vele bloemen, vruchten of geuren. Ach, zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik ben verslaafd geraakt aan dat land en daar is geen enkele medicijn tegen. Trouwens, als het er wel zou zijn, zou ik het hebben weggegooid.
Na al 22 keer in dat prachtige land te zijn geweest en vele plekken meerdere malen te hebben bezocht, ben ik nu al in staat om een top 100 van “de mooiste plekjes van Indonesië” samen te stellen. Helaas heb ik nog maar 5 (bewoonde) eilanden bezocht en ben ik de laatste jaren in Sulawesi blijven steken, anders zou die “top 100” er waarschijnlijk heel anders uit hebben gezien.
Wat mij de eerste keer opviel, is dat een eiland als Java, dat nauwelijks 3 x zo groot is als Nederland en dat meer dan helft van de Indonesische bevolking herbergt, nog zo veel rustige gebieden bevat. waar je uren kunt lopen zonder iemand tegen te komen. De grote steden heb ik allen bezocht maar de meeste slechts één keer. Jakarta, Semarang en Surabaya vind ik afschuwelijk, maar even buiten die steden is het heerlijk toeven. Ten zuiden van Semarang bij het bergdorp Bandungan (te bereiken via Ambarawa) is een schitterend tempelcomplex in de bergen genaamd “Gedong Songo”. Daar moet je niet op zondag heen maar door de weeks is het een heerlijk oord. Georganiseerde reizen zullen hier nooit naartoe gaan omdat het buiten de route ligt. Dat geldt ook voor de geheimzinnige Sukuh-tempel en het park Grojongan Sewu bij Tawangmangu dat ongeveer veertig kilometer van Surakarta af ligt in de richting van Oost Java. Kleine juweeltjes in de Gordel van Smaragd, er zijn er vele.
Tot slot is hier een reisverhaal uit mijn dagboek van mijn eerste reis door Indonesië, die zich beperkte tot 6 weken Java en Bali.

“We reden door de drukke binnenstad van Malang en bereikten na een half uur toeteren de hoofdweg naar Surabaya. Ons eerste doel was het plaatsje Purwodadi, dat ongeveer 30 km ten noorden van Malang ligt. De hoofdweg was weliswaar aardig druk, maar na een goed half uur fanatiek te hebben deelgenomen aan het verkeer, bereikten we ons doel, de Kebun Raya.
De Kebun Raya (botanische tuin) van Bogor mag dan wereldwijd bekend staan als de mooiste plantentuin van Indonesië, de overige botanische tuinen op Java, die eveneens in de negentiende eeuw zijn aangelegd, mogen er ook zijn. De Kebun Raya van Purwodadi krijgt in de reisgidsen echter maar heel weinig aandacht, hoewel een bezoek aan dat park zeker de moeite waard is. Dat deden we dan ook, want anders hadden we er net zo goed niet hoeven te stoppen en er gewoon voorbij kunnen rijden. Voor een paar dubbeltjes kochten we een kaartje, waardoor de loketbediende zo blij was, dat we er zelfs met de auto naar binnen mochten.
Na een kwartiertje rondtoeren, zonder iemand te zijn tegengekomen, stopten we ergens in het hart van het park bij een fikse hoeveelheid vijvers vol met bloemen, vissen en ander milieuvriendelijk spul. Het was hier heerlijk rustig en vermoedelijk waren we de enige bezoekers; zelfs de apen lieten het afweten. Er bleef dus weinig anders over dan een beetje te genieten van de natuur, maar dat is ook best leuk als je vakantie hebt. Op deze plek maakte ik wat overdreven veel foto's. Waarschijnlijk raakte het toestel oververhit, want het gaf zwijgend de geest. Er was geen beweging meer in te krijgen.
Gelukkig had Anneke ook nog een fotocamera bij zich, die nog amper was gebruikt, omdat ze daar nog geen tijd voor had gehad. Ik ontfermde me dus maar over dat ding en was in staat om mijn fotosessie te voltooien.
Na afloop reden we het park uit en kwamen enkele minuten later bij het natuurreservaat Gunung Baung. Dit stuk woestenij is nauwelijks bekend, maar enkele jaren geleden werd hier een schitterende waterval ontdekt. Het smalle weggetje naar de ingang was nog niet zo lang geleden aangelegd en leidde ons naar een kleine nederzetting met wat houten huisjes en een stel ganzen, dat luid protesterend aangaf dat verder rijden zinloos was. Inderdaad gaf de weg het op, maar wij niet. We ontdekten een smal pad dat het reservaat inliep, zodat de wagen aan de kant moest worden gezet. Het reservaat was zo onbekend, dat we voor het bezoek niet eens behoefden te betalen.
We volgden een smal paadje dat even later eindigde bij een kleine houten uitspanning, die verdraaid veel weg had van een muziektent. Er was overigens geen muziek te bekennen, maar wel een Javaan met een kleine voorraad frisdrank. Van hieruit konden we in de verte ook de waterval zien, die aardig wat lawaai maakte. Om daar te komen moest echter nog een lange en zware route worden afgelegd. De Javaan wees ons op een klein weggetje dat die kant uit leidde. Het pad stelde weinig voor en was bezaaid met losse stenen en boomstronken. Aan de ene kant bevond zich een behoorlijk steile berghelling met zeer veel struikgewas, terwijl er aan de andere kant helemaal niets was. Een diepe afgrond met een brede beek ergens ver beneden tussen het groen was alles wat er te zien was.
Het eerste stuk ging nog wel, daar het pad naar beneden liep. Wel moest er af en toe over wat rotsen en omgevallen boomstammen worden geklommen, maar het pad werd toch steeds weer teruggevonden. De vrouwen begonnen het na een kwartier toch aardig moeilijk te krijgen, waarop Janggot vriendelijk aanbood om hun tassen te dragen. Ook de zware videotas van Frans werd om de smalle schouders van onze chauffeur gehangen, zodat deze er als een gediplomeerde koelie bijliep. Na enige tijd begon hij echter ook duidelijk tekenen van vermoeidheid te vertonen en dreigde achterop te raken. Frans week evenwel niet van zijn zijde en ondersteunde hem dapper als er weer over een obstakel moest worden geklauterd.
Het pad begon steeds slechter te worden en was een paar minuten later zelfs helemaal verdwenen. We hoorden aan het steeds luider wordende geraas van de waterval, dat we ons doel toch al aardig dicht waren genaderd en het nu ook zonder pad wel afkonden. De bodem van het ravijn hadden we inmiddels bijna bereikt, zodat we ons op goed geluk verder maar een weg door de struiken baanden. Er was hier overigens een flinke hoeveelheid flora en fauna om ons heen. Veel bloemen, maar ook veelkleurige vogels, konijnen, hagedissen en slangen. De slangen waren hier niet erg gevaarlijk en gingen er lafhartig vandoor wanneer je ze per ongeluk op hun staart trapte.
Eindelijk bereikten we de bodem van het ravijn, die bijna volledig in beslag werd genomen door een brede stroom, waarin talloze keien lagen. Op enige afstand zagen we de 100 meter hoge waterval met veel vertoon in dezelfde stroom terechtkomen. We waadden zo dicht mogelijk naar de waterval toe, maar het was niet mogelijk om er vlakbij te komen. De kracht waarmee het water in de plas stortte, was te hevig.
Ik nestelde me op een van de vele rotsblokken, die in het water lagen en kwam tot de conclusie, dat dit toch wel een buitengewoon mooi stuk natuurschoon was. Het enige geluid was afkomstig van de waterval, die van geen ophouden wilde weten. Aan alle kanten waren we omgeven door een groene wildernis, waarin vele kleurrijke vogels tekeergingen, hoewel we ze niet konden zien. De beide vrouwen liepen door het water en probeerden zo dicht mogelijk bij de waterval te komen, hetgeen jammerlijk mislukte. Halverwege waren ze al drijfnat en moesten hun pogingen opgeven. Ze kozen een groot rotsblok uit, waarop ze zich uitstrekten om hun natte kleding door de zon te laten drogen.
Frans en Janggot zaten aan de rand van de poel verschrikkelijk uit te blazen, waarbij onze chauffeur de vele tassen geen moment van zijn schouders liet glijden. Ach, wat een veilig gevoel geeft het toch, wanneer je een metgezel bij je hebt, die zo trouw over je spullen waakt.
We hielden het hier ongeveer een uur lang uit, waarna met enige tegenzin de terugtocht weer werd aanvaard. Deze was beduidend zwaarder dan de heenweg, waarbij Janggot en Frans opnieuw de achterhoede vormden. Na veel geklim, geklauter en gekreun kregen we eindelijk de muziektent weer in het vizier, maar we moesten nog wel een kwartier wachten voordat we de achterhoede achter een grote steen vandaan zagen komen. Janggot maakte een volledig uitgebluste indruk en was maar wat blij, dat hij de tassen weer mocht afgeven. Bij de muziektent kochten we wat drinken van de dolgelukkige Javaan. Deze vertelde dat de waterval door de plaatselijke bevolking angstvallig werd gemeden, omdat het er behalve water ook barstte van de geesten. Elke nacht wordt het geblaf van herdershonden gehoord, maar nog nooit zijn deze beesten hier aangetroffen.
Janggot die zojuist nog een aangeslagen indruk maakte, had intussen weer een bende babbels gekregen, zodat het dus hoog tijd werd om op te stappen.
Ons volgende doel was Tretes, een vakantieoord boordevol villa's, bungalows en tuinen, die voor het grootste deel eigendom waren van de "upper ten" van Surabaya. Het villadorp lag er mooi bij in een bergachtige omgeving, terwijl het er op een door-de-weekse dag zoals deze schandalig rustig was.
Naast al dat rijkeluisgedoe bevat Tretes ook een aantal parken, waarvan de "Kaket Bodo" wellicht de bekendste is. We ontmoetten er tenminste nog aardig wat toeristen, waarvan er enkelen zelfs zo brutaal waren om de Nederlandse nationaliteit te voeren. Weliswaar niet voor de volle 100 %, want het waren Friezen, maar het was wel de eerste domper die dag.
De grootste attractie van het park was de gigantische waterval, die net als de naam van het park "Kaket Bodo" heette. Na Salak, Maribaya, Green Canyon, Kaliurang, Tawangmangu en Gunung Baung vond ik het eigenlijk wel welletjes. Ik had nu echt wel genoeg watervallen gezien en deze stond dan ook niet op mijn lijstje, maar op dat van Frans. Terwijl Janggot weer als muilezel fungeerde, naderden we moeizaam de waterval.
"Kaket Bodo" betekent zoiets als "dwaze oude man" en de legende luidt, dat deze oude dwaas zich zomaar van de waterval, die hoogst waarschijnlijk toen nog anders heette, naar beneden liet vallen. Weliswaar bleek deze waterval maar een zielig aftreksel te zijn van die van Gunung Baung, maar toch altijd nog zo'n 90 meter hoog. Van de oude man was nooit veel meer teruggevonden dan wat armzalige botten, een legende en een zeer actieve geest, die de naburige bevolking nog steeds de stuipen op het lijf scheen te jagen.
Het park mocht er overigens best zijn, maar na een uurtje daar te hebben rondgewandeld in een bedroevend laag tempo, bereikten we weer de uitgang. Op een van de kleine terrasjes daar buiten streken we nog even neer om ons op een vloeibare versnapering te storten, die koeltjes werd geserveerd.
De 40 km lange terugweg werd door Janggot keurig netjes binnen een uur en tien minuten afgelegd. Nadat we ons in avondtoilet hadden gehuld, hetgeen niet veel meer inhield dan na de douche de korte broek te vervangen door een lange, wandelden we door de binnenstad. Daar brachten we een bezoek aan een warenhuis, waar ik voor een zeer zacht prijsje weer de gelukkige bezitter werd van een werkend fototoestel. De aardige juffrouw die me het ding wist aan te smeren, had er behoorlijk veel verstand van en ik liet me dan ook alles terdege uitleggen. Ze wist alleen niet hoe het rolletje erin moest, maar gelukkig was ik daar zelf toe in staat, zodat ik het haar voor kon doen.
Het avondeten lieten we ons weer bij Toko Oen opdienen, waar het ook nu weer aardig druk was. Daarna hadden we weinig trek om ons hotel al op te zoeken. Janggot die een loodzware dag achter de rug had, wilde echter vroeg naar bed, want we hadden de volgende dag weer een fikse rit voor de boeg van meer dan 200 km verder naar het oosten.
Terwijl Janggot in de richting van het hotel strompelde, namen wij een paar becaks en lieten ons door de heuvelachtige straten naar restaurant "Amsterdam" brengen. Net als Toko Oen is dit restaurant bij toeristen aardig populair, maar bevat als grootste attractie ook nog een enorm buitenterras.
Het terras bleek amper voor de helft gevuld te zijn, maar de sfeer zat er al behoorlijk goed in. Een alleraardigst zangeresje deed verwoede pogingen om er iets heel moois van te maken, waarbij ze voor het snaar-, pingel- en ramwerk hartstochtelijk werd begeleid door een stel muzikanten. Even later voegde zich nog een tweede zangeres bij het gezelschap, maar dat was geen succes. Het leek nu meer een wedstrijd te worden van "wie het het hardste kan...."




sidia
Gebruiker
User icon of sidia
spacer line
 


On 08-09-2008 00:21 Mr. Jacob wrote:
Anne Mieke schrijft: “En wat is een zinvolle bijdrage? Als je schrijft vanuit je hart of vanuit jouw kennis denkwijze of ervaring dan is het altijd zinvol.”
Dat is juist. Ik bedoel dat ik me niet bemoei met ellenlange discussies over zaken die mij slechts zijdelings raken. Vaak wordt het grof of worden dingen wel erg negatief benaderd.

Bedankt voor je bijdrage .
Ik geniet altijd van alle reisbeschrijvingen van mensen die het op leuke manier vertellen.Zonder gelijk te katten en vergelijkingen maken hoe in hun ogen moet zijn .En dan allerlei negatieve gedachten uitstorten , met groot leedvermaak.
Het is ook niet erg of zelf leerzaam om te weten hoe goed de wegen zijn , hoe goed de hotel zijn , de natuur (zeker met foto erbij).
Dat er mss een grote kakkerlak in je bungalow rondkruipt.
Kan gebeuren , het is tenslotte de tropen.

Ik heb ook gemerk dat er veel doorgewinterde reizigers , met een schat van ervaring , van tientallen keren reizen naar indonesia. Sommigen hebben ook daar gewoon of gewerkt.
Natuurlijk zullen ze ook eigenaardigheden ondervinden , de jam karet , vliegtuig of treivertragingen , of dat de chaufeur of gids niet echt goed engels spreken.
Dat gebeurt ook , zeker weten .

En toch zijn die vele ervaren reizigers per saldo toch tevreden , en komen nog een paar keren terug . Terwijl er sommigen na een paar reizen of zelfs na 1 reis al hun buik vol hebben van al die rotzooi , van al die mensen die je dikke dompet lichter wil maken .
En soms hebben ze hier de grootste mond , en dicteren de discussies .
Maar ya , zulke mensen bestaan ook .

Ik genietook van de verhalen van Jan.K (Dangdude3) , van pPamela (australische ?) met haar reisverhalen , en foto's van Sumatra.
Jammer dat er te weinig mensen die hier hun verhalen vertellen , omdat ze mss opgeschrikt zijn van al die negatieve toon.
Jammer , jammer.



Bisa dicek mas . http://omsid.multiply.com/

elsbeth
Gebruiker
spacer line
 

Wat leuk en herkenbaar allemaal, deze verhalen. Wat een bijzondere ervaring Anne Mieke met die droom, dan sta je raar te kijken! Ik vind het wel opmerkelijk dat de mensen die nu gereageerd hebben allemaal erg weg zijn van Sulawesi. Zo ook ik. Toen ik in 1987 voor het eerst naar Indonesie ging (nog weinig reiservaring, behalve Turkije), raakte ik erg gefascineerd door de hoofdstukken Sulawesi van de diverse reisboeken. daar wilde ik perse heen, ook omdat het toen nog een eiland was waar erg weinig toeristen kwamen (wij kwamen de eerste toeristen tegen na 2 weken, in Tentena). Ik schreef al eerder dat ik kotsmisselijk aankwam na het eindeloze vliegen, maar ik was nog wel zo bij mijn positieven dat ik meteen aangenaam bedwelmd werd door de geur. Een geur van kruidnagelen, vermengd met uitlaatgassen en rotting. Gelukkig overheersten de kruidnagelen toch wel. Overal lagen kleedjes met kruidnagelen te drogen. We vonden een hotel aan de Jl. Sam Ratulangi, kregen een zeer basic kamer waar ik voor het eerst een mandibak zag. Ik vond het meteen heerlijk om te mandien. Na 14 uur te hebben geslapen maakte mijn vriend me wakker met het ontbijt: rijst met vis. Even wennen, maar toch wel heel lekker. Tja, en toen stonden we buiten, 6.00 s'ochtends, al bloedheet. Ik herinner me dat ik zei:"" maar wat gaan we nou in godsnaam hier doen???". Nou gewoon, lopen, zei mijn vriend (die al wat ruimere reiservaring had opgedaan in Zuid Amerika). Oke, zo liepen we door Manado, waar het wegdek vol met gaten zat, maar iedereen supervriendelijk was. Ovallend veel mensen spraken goed Nederlands, eigenlijk iedereen boven de 55. Al snel hadden we weer trek en aten een noedelsoep in een typsisch Indonesische eetgelegenheid, de formicatafeltjes, neonlicht etc. Een plak die je in Nl. niet zo gauw zou opzoeken, maar waar je in Indonesie meestal de leukste ontmoetingen hebt. Zo kwamen wij aan de praat met een meisje van een jaar of 10 die vertelde dat haar oma in het ziekenhuis lag. Ze vroeg of ze zin hadden om mee te lopen naar haar huis, waar we zeer gastvrij ontvangen werden door haar ouders. Omdat ik beroepshalve wel geinteresseerd was in zekenhuizen gingen we uiteindelijk ook mee naar het ziekenhuis om oma te bezoeken. Het was heel primitief, maar het zag er een stuk beter uit dan het algemeen ziekenhuis waar ik later in Palembang regelmatig kwam. Omdat we al heel veel worden hadden geleerd van tevoren, konden toch vrij snel een gesprek aanknopen, zowel met oma als met de dokter. Bijzondere ervaring.
de volgende dag wilden we naar Bunaken, maar toen was er nog nauwelijks vervoer naar het eiland. Niemand kon ons er tenminste iets over vertellen. Uiteindelijk zijn we op goed geluk naar de haven gegaan, waar de volgende dag een boot vol met Pentecostagangers (Pinkstergemeente) zou uitvaren naar Bunaken.
Maak het straks wel af, moet weg.
Elsbeth



elsbeth
Gebruiker
spacer line
 

Tja, de volgende dag op de boot met allemaal hele vrolijke, blije Pinstergemeentegangers, onder de bezielende leiding van 3 Australische mannen, waarvan er 1 al jaren in Centraal Sulawesi woonde. Bunaken was (misschien nog steeds??) ongelofelijk mooi, maar nog veel mooier was de onder water wereld. We mochten de snorkelspullen van de Australiers lenen en terwijl wij gingen snorkelen, gingen de mensen van de Pinkstergemeente allerlei heerlijkheden koken, ondertussen 3/4 stemmig zingend. Onder water een duizelingwekkende diepte (echt een 90 gradenafgrond), waar we werkelijk alles voorbij hebben zien komen, wat een kleurenpracht, wat een diversiteit aan vissen en koralen. Ik had toch wat last van "dieptevrees" en kwam regelmatig boven water. Als je dan dat prachtige gezang hoort op het strand en de geur van al dat eten, dan moet je jezelf echt even in de arm knijpen om te beseffen dat je het echt meemaakt. Zeker als dit je eerste kennismaking met de tropen is, val je meteen met de neus in de boter.
Helaas gingen we aan het eind van de dag weer terug.
We hebben ook prachtige tochten gemaakt naar Tondano en Tomohon. Overal mooi geveegde erfjes, met veel kippen en heeeel veel bloemen. Ook het vervoer met de paardjes is me erg bijgebleven. Tijdens een wandeling kwamen we in een dorp waar druk getafeltennist werd. We werden uitgenodigd om mee te doen en onder luid gejuich versloeg ik de kampioen van het dorp (lukt me nu niet meer denk ik, maar toen gaf het wel een kick).
Enfin, doorgereisd in een enorm gammele bus naar Kotamabagu, waar we voor het eerst te maken kregen met het fenomeen dat je denkt dat je vanuit het dorpsplein al een aardige ruk heb gemaakt naar de volgende bestemming, om vervolgens te ontdekken dat je na 2 uur weer op hetzefde dorpsplein staat. Er moetsen nog een paar mensen opgehaald worden, bovendien was de bus nog niet vol genoeg etc. Maar goed, je hebt alle tijd van de wereld en we konden dit gelukkig heel relaxed langs ons heen laten gaan. Gelukkig maar, want het was niet de laatste keer.
Door naar Gorontalo waar we sliepen in Pension Teluk Kau, in de Lonely Planet van toen aangeduid met : het leukste pension dat ik ooit ben tegengekomen in Indonesie, in de huidige Lonely Planet aangeduid met : depressingly basic, but good value (nou, wat wil je nou nog meer??). Ik herinner me de vele bedelaars op de pasar, dat vond ik wel erg schokkend.
de eigenaren van het pension namen ons mee om te pickenicken en te zwemmen en zo lag ik met al mijn kleren aan, net als alle andere vrouwen, in het zwembad van Gorontalo.
De reis werd ondertussen steeds spannender, merkte we toen we aan boord van de Antasari gingen, een zeer krikkemikkerige houten boot die ons in 24 uur naar Poso zou brengen. We hadden geen enkele twijfel (ook niet echt veel keus overigens) of we dit wel moesten doen. We waren de enige toeristen en waren geen seconde meer alleen voordat de boot vertrok (en dat duurde, geen grap, 27 uur). Hij zou om 9.00 vertrekken, wij zaten er om 7.00 op en uiteindelijk is de boot om 12.00 de volgende dag vertrokken, na een valse start van een paar uur( de golven waren te hoog en de boot kraakte teveel, werd ons gezegd..). Om beurten gingen we van boord om wat eten te halen, als de dood dat de boot alsnog zonder ons zou vertrekken. Maar....het was een schitterende tocht en zo kwamen we aan in Poso, waar we vele prachtige zandstrandjes ontdekten, kokosnoten kregen van mensen en die ook met een klawang open leerden hakken (die kokosnoten..). Van Poso kan ik me verder niet echt veel meer herinneren, net zo min als van de tocht van Poso naar Tentena. Het gebied van Tentena vond ik prachtig, het meer is schitterend, maar ook het omringende land, prachtige kleuren. En overal werden we ontzettend hartelijk ontvangen. De baas van het net nieuwe hotel waar we sliepen nam ons overal mee naar toe, naar een waterval, een gigantische vleermuizengrot en nog veel meer. Het was moelijk een leuk eettentje te vinden en in dat ene tentje kwamen we dan ook de eerste andere toeristen tegen na 2 weken Sulawesi. Na een paar dagen wandelen rond Tentena namen we de nachtboot naar de overkant van het meer. En....het was volle maan, prachtig schijnsel op het water, veel te volle boot, erg verliefd. Nou, dat was wel een erg romantische tocht. Aan de overkant was het wat minder romantisch in de meest smerige losmen waar ik ooit heb geslapen. Nou, ja, kop onder de slaapzak en net doen of je niks ruikt, voelt, hoort, brrrrr
De tocht van Pendolo naar Wotu (hoop dat ik niks door elkaar haal) was ongelofelijk spectaculair, maar die bewaar ik voor een andere keer.



Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Elsbeth, ik herken heel veel in jouw verhaal over Centraal Sulawesi maar je bent er waarschijnlijk eerder geweest dan ik. De eerste keer dat ik Sulawesi bezocht was in 1997. De eerste 3 keren bezocht ik Java vrij uitgebreid, 2 x Bali en enkele weken Sumatra. Sumatra (vooral omgeving Padang / Bukittinggi) was fantastisch. De vierde keer dus Sulawesi en dat was het einde.
Jij ging van noord naar zuid, ik ging van zuid naar noord. Makassar (toen nog Ujung Pandang geheten) is gewoon een drukke stad maar heel ruim met veel brede wegen en een schitterende boulevard langs de kust.
Met de bus naar Rantepao, waar ik heel veel over kan schrijven. Overal vriendelijke mensen, schitterende natuur en een bende traditie. Daar kun je weken rondhangen, mooie wandelingen maken en genieten. Ik kocht een kaart van de omgeving en zocht alles zelf uit, maakte gebruik van het openbaar vervoer en de rest wandelde ik. Alleen klopte er niets van de kaart en dat leidde tot tal van, meest aangename verrassingen. Je komt altijd wel weer in je gueathouse of wisma als je verdwaalde want angkots (of pete-pete’s in Sulawesi) rijden er overal.
Van Rantepao naar Pendolo met de bus. Dwars door de bergen tot Palopo. Een weg boordevol haarspeldbochten met een massa kotsende plaatselijke bevolking in de bus; ik vergeet het nooit meer. Ik heb dat daarna verscheidene keren meegemaakt en het blijft een vreemde ervaring.
Van Palopo (hete stad aan de kust) noordwaarts naar Centraal Sulawesi via Masamba en Bone-Bone. Ja, je noemde het al “Wotu” waar een schitterend palmenbos kilometers lang zich uitstrekt. Daarna volgt Mankutana, de laatste stop voor de bergen. Ik heb er eens een nacht doorgebracht een jaar later. Van Mankutana naar Pendolo is een belevenis. Zo’n 80 km klimmen en dalen door een schitterende omgeving tot de “batas”. Onderweg aan de rechterkant, zo halverwege nog een fraaie waterval die een oorverdovend lawaai maakt als je er in de regentijd langs rijdt. Langs de weg af en toe een piepkleine nederzetting Vlakbij de grens met Centraal Sulawesi was de weg een verschrikking, maar die is enkele jaren daarna gelukkig hersteld.
Daarna gaat de weg omlaag en via desa Mayoa kom je eindelijk in Pendolo aan de zuidkant van het Posomeer. De bus stopte vlak voor Pendolo voor restaurant Anggrek, een flink houten gebouw aan de linkerkant van de weg. Pendolo bevatte destijds een viertal losman, waarvan de meeste vlakbij het meer: Masamba, Victoria en Sederhana). Goed, die drie waren allemaal sederhana (eenvoudig). Masamba is helaas volledig uitgebrand enkele jaren later tijdens de problemen tussen christenen en moslims. Ik heb me destijds enkele dagen genesteld in het iets verder op gelegen Mulia Poso, waar het vrij aangenaam was, hoewel ook vrij eenvoudig. Van daaruit kon ook met de boot de oversteek naar Tentena worden gemaakt.
Ja, Tentena is een verademing. Van daaruit heb ik diverse tochten gemaakt en ze waren allemaal even mooi: Saluopa-waterval (fantastisch), vlakbij Kampung Bali, Sulewana-stroomversnelling (onderweg naar Poso) en enkele grotten (Pamonagrot en Lateagrot). Onderdak gevonden in de Pamona Indah Permai, een jaar later in Ua Datu aan de andere kant van de rivier. Helaas is naast de oude brug (met dak) nu een nieuwe aangelegd, waardoor het symbool van Tentena een beetje op de achtergrond is geraakt.
Ik ben daarna nog zes keer in Pendolo en Tentena geweest, zelfs tijdens de problemen tussen christenen en moslims. Daar heb ik overigens weinig last van gehad en de laatste keren was alles goed onder controle. Wat me altijd het meest opviel is dat er aardig wat toeristen fietsend van Makassar naar Manado gingen. Elke keer kwam ik ze in Pendolo of Tentena weer tegen. Ook dit jaar waren er weer enkele Nederlanders die dit deden.




elsbeth
Gebruiker
spacer line
 

Ja inderdaad Jacob, ik was er 10 jaar eerder en ben er daarna helaas nog maar 1 keer teruggeweest (Op Sulawesi dan). Van Tentena richting Rantepao via Wotu en Pendolo etc. was toen nauwelijks nog een weg. We zaten in een jeep met nog een paar lokale mensen. Het gebeurde keer op keer dat er over een rivier of kloof allerlei planken en boomstammen opnieuw gerangschikt en aan elkaar gebonden moesten wordne, zodat onze jeep er over heen kon. iedereen eruit, wachten, wachten, wachten, dan reed de jeep heel voorzichtig tot de helft van "de brug", om vervolgens keihard gas te geven , net de overkant te halen en de "brug" zo achte rte laten dat de volgende auto weer opnieuw kon beginnen. Het was een gigantiosch lange rit, met onderweg 1 warung, echt in the middle of nowhere. de geluiden in het oerwoud waren oorverdovend, echt spectaculair, we waren allebei heel diep onder de indruk. Tana Toraja vond ik ongelofelijk mooi, o, wat kun je daar inderdaad schitterend wandelen. Ik ben daar in 1992 met mijn moeder en mijn 2 zusjes nog eens teruggeweest. de bedoeling is dat ik volgend jaar met mijn gezin naar Indoensie ga en dan willen we een wandeltocht maken, mogelijk van Mamasa naar Rantepao. Maar over wandeltochten in Tana Toraj kun jij me dus wel meer vertellen. Ik houd me aanbevolen. Mijn kinderen zijn dan 11/12/14/en 15, het zijn hele goede wandelaars en kunnen zeker een paar dagen achter elkaar de hele dag lopen (we zijn dit jaar in de Dolomieten geweest). IK ben meestal de langzaamste (en de zwaarste, dat houd zeker verband met elkaar). Maar als je goede tips hebt, graag. Ik heb du 1 keer de tocht Noord/Zuid gedaan en 1 keer Zuid/Noord. De rit naar Tana Toraja vanaf het zuiden vind ik prachtig. Vanuit die grijze bergen opeens door die poort, waarachter alles groen is, bijznder mooi. Van die fietsers kan ik me niets herinneren. Ik weet wel dat wij destijds erover dachten om te wandelen van Wotu naar Pendolo (ik weet niet meer precies om wel stukje het ging), maar dat werd in de Lonely Planet van toen heel sterk afgeraden.
Ook ik vond de omgeving van Padang en Bukittinggi heel erg mooi. Zowel West Sumatra en Toraja zijn een stuk ruiger dan het meeste op Java en Bali en dat sprak mij wel aan. En inderdaad het gegeven dat je er weinig toeristen ziet, hoewel dat in al die jaren wel anders zal zijn gworden. Er wordt op dit forum vrij veel over Sulawesi geschreven, maar zelden over Sumatra. Zeker het noorden, zeg maar van Toba naar west Sumatra, is toch goed te doen qua vervoer. Vanuit Padang ben je per vliegtuig zo weer in Jakarta. Ik hoor er hier nooit iets over.
Vanuit Palembang, waar ik in 1988/89 heb gewoond, ging ik toen met mijn moeder (mijn 2 zusjes waren van uit Bali teruggevlogen ) naar de Nl. pastoor in Tanjung Sakti, een klein plaatsje, prachtig gelegen in het Bukit Barisan gebergte, achter Lahat en Pagaralam. Ik was daar al een paar keer eerder op bezoek geweest. De pastoor en de broeder heb toen met ons achterop de brommer rondgetoerd. Grote hilariteit, mijn moeder ook nog met de filmcamera om haar nek.
Nou, tijd om weer eens terug te gaan. Jacob, als je leuke wandeltips heb, hoor ik het graag. Klopt het dat Mamsa zo mooi is.

Groetjes Elsbeth




Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Elsbeth, we zitten aardig op één lijn wat interesses betreft. In 1996 bezocht ik Sumatra en volgde de volgende route:
Omdat ik geen fan ben van grote steden, sloegen we Medan over. Na aankomst meteen maar met een taxi doorgereisd naar Binjai, een klein stadje buiten Medan langs de weg naar Bukit Lawang. De volgende dag met een busje naar Bukot Lawang en een guesthouse aan de fraaie Bohorokrivier gevonden. Natuurlijk een dag later de rivier overgestoken en het Leuserpark bezocht om te zien of de orang oetans nog steeds verslaafd waren aan de bananen. Dat klopte, we hebben er heel wat gezien.
Vervolgens met een busje (via Medan) naar Berastagi. Jungletocht gemaakt met een student die er woonde en op die manier zijn studie kon betalen. Aardig plaatsje, waar je lekkere babi pangang kan eten.
Van Berastagi met een busje naar Parapat met stops aan de noordkant van het Tobameer (met fraai uitzicht op de Sipisopisowaterval) en het dorp Pematung Purba (met fraai paleis). In Parapat een hotel geregeld in Tuktuk (Samosir) en meteen met de boot naar het eiland gevaren, waar we netjes bij het hotel werden afgeleverd (de meeste hotels liggen aan het water). Een dag of 5 doorgebracht in Tuktuk en vele excursies en wandelingen gemaakt. Het Tobameer is mooi, Samosir is prachtig maar het aantal toeristen overweldigend. Conclusie: “Dit moet je één keergezien hebben, dat is genoeg”.
Terug in Parapat vervoer geregeld naar Bukittinggi. Dat ging gewoon met een luxe (maar normale) bus en bleek een rit te zijn van zo’n 14 uur met slechts drie tussenstops (zwavelbronnen bij Sipahulan, lunch in de stad Padangsidempuan en de evenaar bij Bonjol). In de avond kwamen we in Bukittinggi waar we een dag of vier bleven.
De omgeving van Bukittinggi is fantastisch en er zijn daar tal van excursies en jungletrekkings te regelen. Ik zal later wel enkele beschrijvingen van die excursies hier plaatsen want dat waren onvergetelijke dagen. Één van die excursies ging naar het Maninjoumeer, waarop we meteen besloten dat we hier maar een hele week zouden blijven. Dat meer vond ik mooier dan het Tobameer en het aantal toeristen was gering. Om het hele meer heen gefietst, wat een avontuur op zich bleek te zijn omdat het grootste deel van de weg afschuwelijk slecht was.
Tot slot naar Padang gegaan en ook daar enkele dagen gebleven voordat we naar Java gingen. Mooie stad aan de Indische Oceaan. Bijzonder fraai is een wandeling naar het plaatsje “Air Manis”, dat enkele kilometers ten zuiden van Padang ligt. Daar is een schitterend strand vol met palmen en wit zand. Zeker de moeite waard voor een bezoek.
Dat was even in het kort Sumatra. Meer heb ik er (nog) niet van gezien maar ik ben zeker van plan om Bukittinggi en omgeving nogmaals te bezoeken.
Nu weer terug naar Sulawesi.
Ja, Elsbeth, Mamasa is erg mooi. De plaats zelf stelt weinig voor en is nog aardig primitief. Er is elektriciteit, ook al valt die regelmatig uit. Warm water vind je in geen enkel hotel of losman. Omdat Mamasa op bijna 1000 meter hoogte ligt, is het water dus kouder dan op Bali of Makassar.
De omgeving van Mamasa is schitterend en een beetje te vergelijken met Toradja. Het wordt dan ook vaak West Toradja genoemd, ook al omdat de culturen veel op elkaar lijken. Mamasa is alleen een stuk armer. Op zondagavond wordt alles in gereedheid gebracht voor de grote markt die maandag plaats heeft. Dan trekken veel mensen uit de naburige (berg)dorpen naar de “stad” om inkopen te doen of zelf hun spullen te verkopen.
Een fatsoenlijke kaart van de omgeving heb ik nog steeds niet te pakken kunnen krijgen, zodat ik vrees dat die gewoon niet bestaat. Wel heb ik al heel wat wandelingen daar gemaakt en het gebied is schitterend. Je bent daar als buitenlander nog een bezienswaardigheid want toeristen komen er nog niet zo veel. Je kunt van Mamasa wandelend of met de motor naar Toradja en andersom. De mensen die dat doen bivakkeren meestal één nacht in Mamasa om van daaruit of naar Toradja of naar Makassar te gaan. Zelf ben ik nog nooit te voet naar Toradja gegaan maar ben dat zeker nog van plan. Mijn vrouw heeft die afstand wel zelf gelopen maar dat was een jaar of tien geleden.
Er is maar één weg naar Makassar (via Polewali) maar het stuk weg van 90 km tussen Mamasa en Polewali is bedroevend slecht en duurde vorig jaar nog 6 uur. In mei dit jaar echter nog maar 4 uur want er wordt druk aan de weg gewerkt.
De eerste keer dat ik in Mamasa was, sliep ik in de “Matana Lodge”, omdat dat hotel er volgens de boeken (o.a. Lonely Planet) het best uitkwam. Het restaurant bleek al jaren gesloten en de kamers waren weliswaar redelijk maar ook hier was alleen maar koud water. Als de stroom uitviel, had je ook geen water omdat de pomp dan niet werkte.
De laatste keer sliepen we in “losman Mini”. Iets primitiever en goedkoper dan de “Matana Lodge” maar er is een groot verschil. Losman Mini heeft een generator, zodat er altijd water is en elektriciteit.
De volgende keer zal ik een reisverhaal plaatsen over Sumatra (Bukittinggi). Als hier belangstelling voor is tenminste.




elsbeth
Gebruiker
spacer line
 

Ja Jacob, zeker schrijven over West Sumatra e.a. Ik vind het zelf altijd heerlijk om reisverhalen te lezen. Maar wat Sidia laatst ook al een keer aangaf: er zijn nogal wat verhalen/boekjes geschreven waar toch een duidelijk minachting uit spreekt. Ik heb behoorlijk wat boekjes weggelegd omdat ik mij ergerde aan de toon, vaak worden mensen belachelijk gemaakt. Ook merk je regelmatig een koloniale toon op, de schrijver voelt zich boven de ander staan. Heel ergerlijk en wat mij betreft allemaal tekens van onzekerheid. Als je stevig in je schoenen staat is er geen enkele reden om jezelf boven de ander te plaatsen, ook al is hij nog zo arm, zwak etc.
Maar van jouw verhalen (en vele anderen hier op het forum) geniet ik altijd erg. Dus kom maar door.....Leuk om zo van jou over Mamasa te horen, trekt me erg.
Maninjau, ja, bijzonder mooi, ik heb daar ook een soort jungletocht gemaakt, zat onder de bloedzuigers herinner ik mij. Het is soms moeilijk onder woorden te brengen waarom je je ergens prettig voelt, de natuur is eigenlijk overal erg mooi, maar In Sulawesi en Sumatra voelde ik mij prettiger dan op Java en Bali (vermoedelijk omdat ik er veel langer ben geweest).
Ik ben na de eerste keer Indonesie ook naar andere landen blijven gaan, ik wil toch iedere keer weer iets anders proberen. India, Philippijnen (ook schitterend). Vorig jaar ben ik met ons gezin naar Canada geweest. Is iedereen altijd zooooo lyrisch over. Het deed ons niks, ik zou bijna zeggen, helemaal niks. de natuur is prachtig, maar wij misten cultuur en vooral contacten met lokale bevolking. Vandaar dat ik mijn kinderen volgend jaar Indonesie wil laten zien.
Ik probeer nu te kijken waar ik het beste heen kan vliegen, wil eigenlijk graag in Manado beginnen en terug vliegen vanuit Yogja of Denpasar. Maar ja, alle ticketprijzen x 6, het kost een lieve duit...Ik moet me daar maar aan overgeven,vliegen vanuit Dusseldorf lijkt een redelijke optie (we wonen in Apeldoorn).
He Jacob, wanneer vertrek jij weer? Ik begreep dat je vrouw nog op Sulawesi woont?

groetjes Elsbeth



Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Elsbeth, ik zou je eigenlijk een email willen sturen, maar je hebt geen mailadres opgegeven in het forum. Ik schrijf hier onder de naam “Mr. Jacob” omdat Jacob mijn eerste voornaam is en ik in de meeste hotels en guesthouses waar ik verblijf, als zodanig word aangesproken. Mijn roepnaam is Henk maar dat kon jij niet weten. Dus als je nu heel hard “Henk” roept, kan ik je misschien wel horen want ik woon ook in Apeldoorn.
17 oktober vertrek ik weer naar Sulawesi en blijf daar tot eind november. Ik ben van plan om mijn vrouw Nina dan 3 maanden mee naar Nederland te nemen. Omdat ik altijd zo lang mogelijk in Indonesië wil blijven, neem ik altijd een rechtstreekse vlucht naar Jakarta (15 uur met KLM) met alleen een tussenstop in Kuala Lumpur. In Jakarta ligt mijn ticket klaar om meteen door te vliegen naar Makassar. Dat ticket is door Nina geregeld bij de contactpersoon van de Nederlandse ambassade, die een reisbureau heeft. Nina komt uit een dorpje vlakbij Mamasa maar werkt in Makassar om haar kinderen (ook zij is eerder getrouwd geweest) te onderhouden. Ik kan me voorstellen dat jullie goedkoper proberen te vliegen want met zes personen hakt het er behoorlijk in.
De verhalen die ik hier plaats zijn uit mijn dagboeken die ik bijhield tijdens mijn eerste 3 reizen door Indonesië. Dat was samen met mijn eerste vrouw (Indo).

Dag 13 09-09-1996 BUKITTINGGI - MINANG TOUR
Om half 7 waren we al uit bed, want we hadden nog een bende te doen voordat we aan de excursie konden beginnen. Omdat de bodem van onze geldbuidel reeds te zien was, moesten we eerst naar het postkantoor. Volgens de beheerder van Orchid was het postkantoor om half acht open, zodat we ons om zeven uur daarheen repten. Een afstand van amper 20 minuten.
Het gebouw was inderdaad al geopend, maar het personeel maakte weinig aanstalten om met het werk te beginnen. Ze stonden naast elkaar in een rij opgesteld en pas toen de baas binnenkwam en hen zonder groeten passeerde, liepen ze achter hem aan naar binnen. Om kwart voor acht gingen de loketten open en konden we de begeerde rupiah's in ontvangst nemen.
Weer terug in het hotel konden we ons met het ontbijt bemoeien, dat er net zo uitzag als de vorige dag.

Om half negen kwam de beheerder samen met een vreemde vogel op ons af om te vertellen dat ons busje er was. We liepen meteen met de vogel mee die ons naar het gereedstaande vervoermiddel begeleidde, waarin hijzelf plaatsnam op de plaats achter het stuur. Naast hem zat nog een wat ouder figuur die ons grijnzend aanstaarde. Dat zal de gids wel zijn, dachten we toen we in het verder nog lege busje stapten.
De chauffeur draaide zich naar ons om en deelde mee dat we meteen zouden vertrekken en dat er geen andere toeristen meer zouden meegaan. Hijzelf was behalve chauffeur ook onze gids en de grijnzende gozer naast hem stelde zich voor als mister Moto uit Japan, maar hij bleek al enkele jaren woonachtig te zijn in Jakarta.
De Japanner sprak vrij slecht Engels maar wist zich toch redelijk verstaanbaar te maken. Daarnaast was hij de Indonesische taal machtig. Hij was met een Javaanse getrouwd maar had die om onduidelijke redenen thuis gelaten.
Verder vertelde hij ons nog dat hij voor vier jaar was uitgezonden naar Jakarta, maar dat die stad hem helemaal niet beviel. Veel te veel moskeeën, vond hij. Hij had niks tegen moslims maar vond het geloof van hun veel te opdringerig. Zijn vrouw was ook Islamiet maar hij was al druk bezig om het eruit te krijgen.
Volgend jaar zou hij weer voor enkele jaren verkassen naar Thailand, maar dan mocht zijn vrouw mee, voegde hij er nog aan toe.

Ondertussen hadden we Bukittinggi in oostelijke richting verlaten en reden door een met rijstvelden overdekt gebied met fraaie heuvels er omheen en hogere bergen op de achtergrond. Bij het dorp Baso werd de hoofdweg ingeruild voor een smallere zijweg, die in zuidelijke richting voerde. Vlak ervoor werd gestopt en stapte een gesluierde jonge vrouw in, die door onze gids werd voorgesteld als zijn zuster, die een stukje mee zou rijden. Het meisje gaf ons een slap handje en vertelde dat ze Arabisch studeerde in Padang.
De omgeving werd steeds fraaier. De rijstterrassen lagen er schitterend bij voor de tijd van het jaar, zodat even voor Tabatpatah op verzoek van de Jap opnieuw werd gestopt. We stapten uit om een van de mooiste panorama's op de foto te zetten.

We schoten niet erg op omdat de Japanner om de twee minuten wilde stoppen om ergens een foto van te maken. Op zich hadden we daar geen enkele moeite mee, want de streek waar we doorheen reden was prachtig. Maar mr. Moto overdreef nogal, door zelfs te laten stilhouden bij een klein huisje, waar een viertal oude Minangkabau zat te keuvelen.
De Japanner stormde de auto uit en op de mensen af, rukte een van hen diens hoofddeksel af en verruilde deze voor zijn goedkope Japanse gap. De grijsaard keek enigszins verbaasd toe hoe de Japanner zijn arm om hem heen sloeg en zijn camera aan Paula gaf met de boodschap om drie foto's te maken.
Naast het huisje was een kleine warung gevestigd, waar we een paar flesjes water kochten. Tot mijn stomme verbazing gooide de Jap, voor hij in het busje stapte, het flesje meteen voor de helft leeg. Even later draaide hij zich om en vroeg of ik van whisky hield. Ik beaamde dat maar toen ik zag dat hij een fles whisky onder zijn stoel vandaan haalde en het halfvolle flesje water daarmee weer aanvulde, bedankte ik vriendelijk. Ik vond tien uur 's morgens wel een beetje aan de vroege kant. Moto haalde zijn schouders op en dronk de inhoud toen maar alleen op, hetgeen hem nog geen half uur kostte.

Even later reden we door een klein dorp met een iets grotere markt. De chauffeur wilde doorrijden, maar de Japanner gelastte hem om te stoppen. We stapten uit en slenterden wat langs de vele kooplui, die hun waren op de grond hadden uitgestald. Er was opmerkelijk veel kaneel te zien. Grote bossen kaneelstokken van wel een meter lengte, waar natuurlijk ook weer de nodige foto's van moesten worden gemaakt met de Japanner erop, ernaast, eronder, erin en ertussen. Verder waren er veel mannen die geiten aan een touw meezeulden en te koop aanboden.
Weldra waren we omsingeld door een grote schare plaatselijke bevolking, zodat we de indruk kregen dat hier slechts zelden toeristen kwamen.
Opeens slaakte de Japanner een kreet en rukte zich los van het nieuwsgierige volkje. Hij had twee vrouwen ontdekt die over de weg kwamen aangesjokt met een emmer vol met water op hun hoofd. De vrouwen namen niet eens de moeite om de emmers vast te houden en sjouwden ze net zo makkelijk voort alsof ze een sombrero op hun hoofd hadden. Zo te zien was een van de vrouwen nog hoogzwanger ook, maar dat scheen haar niet te deren. Ze knikten ons in het voorbijgaan ook nog vriendelijk toe, zonder dat de emmer op de grond donderde. Vervelend was dat net op dat moment het fotorolletje van de Japanner vol was, zodat hij naar de vrouwen toe rende en hen verzocht om even te stoppen, totdat hij zijn camera weer van een nieuwe rol had voorzien. Geduldig bleven de vrouwen wachten tot mr. Moto zijn fotosessie gereed had.

De volgende stop was bij het dorp Sungai Tarab, waar we een echte waterradmolen mochten bezichtigen. Aan een smalle sloot stonden enkele molens met grote schepraderen een hoop kabaal te maken. Ik dacht dat die dingen alleen nog in Limburg en omgeving voorkwamen. Deze molens zagen er aan de buitenkant weliswaar net zo uit, maar de binnenkant was heel anders, want het bleken koffiemolens te zijn. We zagen een flinke lading koffiebonen voorbijkomen, die door enkele houten stampers werden verpulverd. Een tweetal vrouwen schepte de koffiebonen in een hiervoor bestemde bak en haalde de poeder er aan de andere kant weer uit.
De vrouwen die van top tot teen onder de bruine poeder zaten, knikten ons vriendelijk toe en toen we ze een paar duizend rupiah toestaken, vergaten ze hun werk en kwamen op ons af om ons te bedanken.

Het was al tegen twaalven toen we de wat grotere plaats Batusangkar bereikten, waar de zus van de chauffeur uitstapte om van daaruit met de bus verder te reizen naar Padang. Ze was zienderogen blij dat ze van ons verlost was en keek nog eens met een afkeurende blik naar de Japanner, die net zijn tweede whisky (met water) had weggehikt.
We vervolgden onze rit naar Padang Seminyak, waar we een bezoek brachten aan het Minangpaleis. Het kolossale gebouw, opgetrokken in traditionele Minangstijl, was in de tachtiger jaren geheel gerestaureerd. Dat was wel nodig ook, want het paleis was door brand bijna volledig verwoest. Gelukkig zag het er nu weer schitterend uit en mochten we het bekijken.
We liepen een trap op naar boven en kregen het verzoek om onze schoenen uit te doen voor we naar binnen gingen. Ik bukte me om hieraan gevolg te geven en ging vervolgens door mijn rug. Er knakte iets en ik kon niet meer overeind komen. Pas na veel moeite was ik weer in staat om een beetje rechtop te lopen en nam me voor om nooit meer mijn schoenen uit te trekken bij dergelijke paleizen.
Het gebouw zag er ook vanbinnen bijzonder fraai uit, maar ik had daar weinig oog meer voor. Wel was ik verbaasd daar een vrouw aan te treffen die speciaal spul tegen spierpijn verkocht. Toen ze me zag vertelde ze dat het zeer goed voor rugblessures was. Paula kocht een flesje van haar, dat een soort tijgerbalsem bevatte. Ik vond dat er een luchtje aan de zaak zat.
Ik was daarom ook blij dat we even later weer buiten stonden en ik zittend mijn schoenen weer kon aantrekken. De pijn in mijn rug ging daar echter niet mee over en dat verbaasde me eerlijk gezegd wel een beetje. Met schoenen aan had ik daarvoor immers ook geen last gehad....

Tegenover het Minangpaleis was een restaurant gevestigd waar we de lunch mochten gebruiken. We hadden weinig trek en namen alleen wat te drinken. De Japanner liet echter een fikse rijsttafel aanrukken met enkele flessen bier om de whiskysmaak mee weg te spoelen. We lieten de Jap even alleen met zijn maaltijd en gingen naar buiten om een beetje rond te kijken. Na enige tijd wierp ik een blik door het open raam van het restaurant en zag dat de Japanner van alle gerechten die voor hem op tafel stonden een foto zat te nemen.

Na een half uur werd de tocht weer voortgezet in zuidelijke richting. Het duurde nog een half uur voordat opnieuw werd gestopt. Dit keer bij het dorp Balimbing, waar het barstte van de traditionele Minanghuizen. Deze huizen zijn van hout en van verschillende grootte. Aan de uiteinden zijn de daken spitsvormig. Ten gevolge van huwelijken worden de woningen in de lengterichting uitgebreid, zodat de daken van veel huizen meerdere spitsen bevatten. Omdat de Minangkabau kunstzinnige lieden zijn, is de hele handel in de meeste gevallen nog eens fraai opgesierd met het nodige houtsnijwerk.
Balimbing bleek een bezoek meer dan waard te zijn. We werden aan het begin van het dorp uit het busje gezet en mochten het verder wandelend bekijken, terwijl de chauffeur doorreed naar de andere kant van de plaats. Omdat Balimbing slechts één asfaltweg rijk was, zat het er dik in dat we hem wel weer ergens zouden tegenkomen.
De huizen in Balimbing zijn oud, sommigen zelfs meer dan 300 jaar. Vlak voor een van de woningen troffen we een jonge vrouw aan, die een nazaat aan het uitlaten was. Ze kletste wat met Paula en de Japanner, waarop ze ons vervolgens uitnodigde om haar woning te bezoeken.
Omdat we onze schoenen weer moesten uittrekken, trok ik me terug en keek toe hoe de rest een kleine ladder op klauterde om binnen te komen. Kort daarop zag ik Moto met fototoestel al voor een van de ramen staan, om enkele foto's van mij en de omgeving te maken.

Toen Paula en de Jap weer uit het interieur te voorschijn kwamen, werd onze wandeling weer voortgezet. Bij een van de huizen verraadde een bord dat het al meer dan 400 jaar oud was. Dat was ook goed te zien, want het maakte een aardig vervallen indruk. Het houtwerk was bijna zwart, zodat het er niet naar uitzag dat het nog een eeuw langer stand zou houden.
Aan het einde van het dorp stond het busje al klaar, maar voor we instapten moest de Japanner nog enkele foto's maken van een handvol kinderen, dat op straat speelde, en twee vrouwen die uitzonderlijk netjes waren gekleed en grote stellages van papieren bloemen op hun hoofden droegen. De reden daarvan was ons niet bekend, omdat de meiden alleen maar glimlachten en geen woord zeiden. Vermoedelijk spraken ze geen Indonesisch.

We reden verder in zuidelijke richting. Het landschap was weer aardig bergachtig en ook de bossen waren weer van de partij. Na een kwartier werd opnieuw gestopt en hadden we een mooi uitzicht over de in de diepte gelegen en met veel rotsen bezaaide Ombilin-rivier, die zich verder omlaag kronkelde naar een op enige afstand gelegen meer.
Kort erna bereikten we het Singkarakmeer. Een buitengewoon mooi kratermeer, omgeven door begroeide bergen en met behoorlijk helder water erin. We stopten bij een restaurant en nestelden ons op het terras met uitzicht op het water. Nadat we wat fris hadden laten aanrukken, wees mr. Moto ons op zijn camera en rende het water in, waarschijnlijk om wat vis te bemachtigen, waar Japanners zo gek op zijn.

Het Singkarakmeer was mooi, maar na een goed half uur moesten we er weer vandoor. We namen een andere weg terug en bereikten na een fraaie rit de stad Padangpanjang, waar het druk was. Gelukkig is Padangpanjang geen wereldstad, zodat we er na een kwartier aan de andere kant alweer uit waren.
Weer een kwartier later werd gestopt in het plaatsje Pandai Sikat. Dit dorp staat bekend om zijn houtsnijwerk en weverijen. Natuurlijk moesten we een bezoek brengen aan een van de werkplaatsen, waarbij de gids hoopte dat we er wat kochten, waaraan hij dan ook een percentage zou kunnen verdienen. Helaas, de chauffeur had hiervoor het verkeerde reisgezelschap meegenomen die dag.
We bezochten een weverij waar een jonge vrouw vreselijk haar best stond te doen en de gids alles uitlegde. De Japanner stond ondertussen een ernaast liggend rijstveld te fotograferen, terwijl Paula en ik naar enkele houtsnijders zaten te kijken, die met een prachtige kast bezig waren.
De gids was een beetje geïrriteerd en wilde alweer weggaan, maar de Jap was verdwenen. Paula en ik boden aan om hem te zoeken en liepen verder het dorp in. Ook hier waren enkele fraaie Minanghuizen te zien en een heleboel vriendelijke bevolking, die veel vragen stelden.

Het duurde wel een half uur voor we Moto in het vizier kregen, die gezellig zat te babbelen met enkele dorpelingen. Hij had wat zakken kroepoek gekocht en zat de inhoud van een ervan nu uit te delen.
We liepen terug naar het busje en reden meteen terug naar Bukittinggi, waar we nog net voor donker arriveerden. Nadat we afscheid van de vriendelijke Japanner hadden genomen, vonden we dat we een geslaagde excursie hadden gehad. In Orchid maakten we ons gereed voor de avond.

Om zeven uur zochten we in de hoofdstraat een geschikt restaurant op. Dit keer werd dat "The Three Tables", dat inmiddels zo groot was geworden dat er wel tien gedekte tafels stonden opgesteld. Het eten was redelijk, maar een beetje duurder dan de doorsnee coffeeshops.
We namen daarom nog een afzakkertje in de "Cosy Cave", waar het aardig druk was. Hier kwamen we tot de conclusie dat de jungletrip met Effy niks zou worden, omdat het er niet naar uitzag dat mijn rug problemen binnen een paar dagen over zouden zijn. Helaas was Effy net vertrokken en zou pas over vier dagen weer terug zijn. Ik kon me er niet druk om maken en was blij dat ik om elf uur met een vakkundig door Paula ingesmeerde rug weer in mijn nest lag.




Pesti-Bule
Gebruiker
spacer line
 

Ik heb met belangstelling de mooie reisverhalen van Anne-Mieke, Dangdude-3, Elsbeth en Mr. Jacob gelezen en de reacties van anderen die dat heel mooi vonden. Vol verwachting wacht ik op het volgende verhaal.
Al lange tijd niets van me laten horen omdat ik in een gebied zat waar geen internetverbinding was. Ik ben intussen wel al een half jaar getrouwd met een vrouwtje uit Kolonodale (Centraal Sulawesi). Ik heb Sumatra, Java en Bali al enkele keren bezocht en ben ook blijven steken in Sulawesi. De rust, de natuur en de vriendelijkheid van de mensen is hier heel anders. Je merkt hier niets van fundamentalistische moslims. De moslims die hier wonen zijn niet te onderscheiden van de christenen, hoofddoeken zie je alleen in deze periode. Makassar is misschien een uitzondering hoewel het ook daar niet hetzelfde is dan op Java.
Helaas ben ik geen goede schrijver van reisverhalen. Centraal en Zuid Sulawesi ken ik echter heel goed en ik ben ook een keer in Menado geweest. Is ook een fantastische stad waar je zelfs met Nederlands nog terecht kan. Ik heb ook plannen om me definitief in Sulawesi te vestigen en wil daar zelf iets opzetten. Het primitieve leven daar bevalt me 100 keer beter dan het leven in ons land, waar je steeds minder mag en de criminaliteit alleen maar toeneemt. Ik heb het hier nu wel gezien en heb elke dag heimwee naar de geweldige mooie natuur van Sulawesi, de stilte en het heerlijke relaxte leven. Alles is daar zo mooi en vredig. Heel opmerkelijk dat de verhalenschrijvers steeds weer op Sulawesi terugkomen. Mamasa ken ik nog niet maar daar wil ik beslist een keer naartoe. Ook daar heb ik goede verhalen van gehoord. Wanneer zit je daar precies Henk en waar? Ik ga half november weer en wil je daar of in Makassar graag ontmoeten. Vorig jaar hebben we elkaar enkele keren gemaild maar ik ben je mailadres kwijt. Ik zit nog steeds op casmaesEmail-adres is vervormd om spam tegen te gaan. Klik hier om naar het profiel van deze gebruiker te gaan.gmail.com.




elsbeth
Gebruiker
spacer line
 

Mr.Jacob, Henk, als me een mailtje wilt sturen, kun je dat doen naar p.simonEmail-adres is vervormd om spam tegen te gaan. Klik hier om naar het profiel van deze gebruiker te gaan.worldonline.nl
Het lijkt me heel leuk om wat tips van je te krijgen betreffende Mamasa en omgeving. Je Bukkittinggi verhaal was ook weer erg herkenbaar, ben ook op al die plekken geweest, schitterend.
We houden contact.
groetjes Elsbeth



zieleffe
Gebruiker
User icon of zieleffe
spacer line
 

ik ben geen goede schrijver, maar bekijk mijn bijdrage via een filmpje.. Emoticon: So funny Emoticon: Worship
http://www.youtube.com/watch?v=iL7IagQ679s


Verdediging is de ruiter van kritiek--- *O* --,Het doel heiligt de middelen

Anne Mieke
Gebruiker
User icon of Anne Mieke
spacer line
 

Maart 1991, drie en een half jaar na mijn eerste reis

Ik moest en ik zou onderhand weer eens naar Indonesië. Mijn vriendin wilde ook wel mee maar alleen Indonesië zag ze niet zitten. Het werd Thailand, Singapore, Sumatera. De reis was deels georganiseerd (vriendin minder avontuurlijk dus compromis) en voor Indonesië bleven helaas maar 6 dagen over. Beetje weinig eigenlijk.

Het gevoel van de landing in Medan was gewoon lekker senang ondanks dat alles glom van de regen. Anders dan op de eerste reis kon ik nu "vrij" in Medan rondlopen. De Deli lag er mistroostig bij en niet alleen van de regen. Alles leek een en dezelfde kleur te hebben. Ik keek vanaf de brug naar het dagelijkse (over)leven...En ik kon eindeloos lopen, de halve Sisingamangaraja en via het Tip Top restaurant naar het postkantoor en het station. Tussen het begin en het eind van de wandeling maakten we vanalles mee. Eindelijk een keer in zo'n becak mesin waarmee we tot net over de spoorwegovergang knetterden.
Aan de linkerkant was een autogarage.....Oh ja ik moest nog een paar nummerplaten meenemen voor een collega. Mijn vriendin had zoiets van ‘hier hoor ik niet bij’ en ik probeerde in mijn beste Indonesisch duidelijk te maken waarvoor ik kwam. De baas riep een van de bedienden, Daniel
Maar Daniel was een beetje verlegen en dacht waarschijnlijk dat ik een gek mens was. Wie wil er nou versleten nummerplaten hebben. Maar na een minuut of 20 ging ik toch met twee nummerplaten de garagedeur uit. De ruil was mijn adres en telefoonnummer........ en we kregen er teh botol bij. Op de Jalan Pemuda werden we aangesproken door twee giebelige tieners, broer en zus. Ze probeerden hun Engels op ons uit en nodigden ons uit voor een kopje thee, 10minuten verderop. Mijn vriendin vond het maar niks, eeuwig zonde ondanks de samen uit, samen thuis afspraak. Ik had er graag heen gewild.

Op het station probeerde ik wijs te worden uit de vertrekstaten. Niet dat ik ergens heen wilde maar het spoorbloed kroop waar het niet gaan kon.

's Avonds gingen we naar Jacky's Yoghurt House. Daar had ik al zoveel over gehoord en gelezen en niet alleen in positieve zin.... Je zou er o.a. lekker Indiaas kunnen eten. De taxichauffeur (prijs afspreken de meter was nog niet ingeburgerd in Medan) had moeite om het adres te vinden (zodat de afgesproken prijs bijna omhoog ging....)

Jacky bleek een multifunctioneel uitbater. Je kon er eten, televisie kijken naar muziek luisteren, boeken lezen. Alles was letterlijk behangen met backpackerinformatie over Sumatera, van Aceh tot Padang. En hij wist gewoon alles. Maar Jacky was vooral een kletsdoos en een easygoing onIndonesische man. Dat klopte ook wel want hij kwam eigenlijk uit India. Het was een leuke avond. Na het eten haalde hij een fles "van het een of ander" uit de kast voor zijn gasten, een gekleurd gezelschap reizigers in soorten en maten. Oeps, ik begreep dat ik daar maar beter niet teveel van kon drinken. We beloofden misschien de volgende avond terug te komen voordat we naar het Tobameer zouden gaan. Hij had een A3 gemaakt van een krantenartikel uit de Japan Times van een maand geleden (februari 1991) waar hij nog snel wat handgeschreven tekst aan toevoegde.
"for my special & beautiful friend Mieke (hij had een hartje op de i) getekend. I am waiting for you tomorrow. Please come............ Emoticon: Blush
Ik had de Indonesische mannen ontdekt (maar we gingen "desondanks" niet meer terug de volgende dag)

We reden met de auto naar het Tobameer. In de buurt van de olieplantages stopte de chauffeur voor dodol Sumatera en koffie. Hij nam zelf niks want het was puasa....Die dodol zou ik vanaf die dag altijd blijven zoeken in Indonesië wat niet altijd meeviel. Later ben ik 'm ook vaak in Maleisië tegengekomen.

Hoe dichterbij ik het Tobasprookje kwam hoe zenuwachtiger ik werd. In het hotel werden alle spullen snel de kamer in gefrommeld en weer weg met paraplu want het was nog steeds nat. Indonesië was in de ban van karaoke. In het restaurant aan de Jalan Raya kreeg ik al snel een microfoon in mijn handen gedrukt. "Take me home countryroads......" Heerlijk!
We zaten alleen op de boot naar het Samosireiland en de lucht was alles behalve blauw. Kort voor vertrek had ik een boek gelezen van Jan Wolkers waar ie het had over het Tobameer. "je moet er toch niet aan denken dat ze de stop uit die 450 meter diepe badkuip trekken........." We meerden aan bij een restaurant waar een groep Nederlanders zaten van een georganiseerde reis. Ik hoorde flarden van gesprekken waar mijn tenen van bij elkaar knepen: "ja we liepen daar langs de kampung en die vrouw vroeg of ik binnenkwam voor een kopje thee maar ik heb toen wel gevraagd of het theewater wel "boiled" was (ik kan me zo voorstellen dat de Batakdame in kwestie helemaal niet begreep waar ze het over had....... De reisleider stond ineens plechtig (hoofd van de tafel!) op en riep zijn schapen op tot het innemen van de malariatabletten en........... de zouttabletten! Schrik. Is die man wel goed bij zijn hoofd dacht ik (volgens mij stond dat op mijn voorhoofd geschreven) Allemaal 50 plussers die je zouttabletten gaat aanpraten? Moesten ze allemaal ter plekke een hartaanval krijgen? Tien minuten later was het weer rustig in het restaurant maar buiten was de grijze lucht donkergrijs geworden. Oh wat heb ik bij de overtocht terug naar Prapat (het was intussen gaan regenen en de boot begon te wiebelen) vaak aan Jan Wolkers gedacht.

's Avonds hadden we life muziek met stoere batakmannen. Wat betreft die Indonesische mannen had ik de vorige keer toch echt niet goed opgelet Na het "officiële" gedeelte in het hotel gingen we onopgetuigd verder in de naastgelegen kedai kopie waar de flessen kamput (afkorting van kambing putih een - als ik mij niet vergis- papayastooksel dat inmiddels niet meer verkocht mag worden) al klaar stonden. De mannen hadden hun optredentenue verwisselt voor hun gewone kleren. Ze konden allemaal zingen en hoe.Maar de liedjes waren wel allemaal melancholische en dat was voor sommigen samen met die kamput niet zo'n goeie combi. ..... Die ruige levensstijl van de Bataks lag me ook wel. Ze waren gewoon wat meer to the point dan Javanen of Balinezen begon ik voorzichtig vast te stellen

Behalve die dramatische Batakmuziek vond ik dat ik nu ook maar eens Indonesische popmuziek moest gaan kopen. De cd's waren in die tijd dun gezaaid maar met hulp van de verkoopster in een mall in Medan kocht ik Chrisye (Pergilah kasih, Problema)

Anders dan in '87 toen ik doodziek het vliegtuig inrolde was ik er nu met mijn volle verstand en alle emoties bij. Er zaten zwaar verteerbare brokken in mijn keel. Selamat tinggal Sumatera. Saya akan kembali, pasti.........Ik was gewoon verliefd geworden op Sumatera. De volgende reis zou ik zeker niet meer zolang laten wachten.

Medan-Singapore-Bangkok-Rome-Amsterdam-Eindhoven duurde 37 uur en drie kwartier en de grote brokken waren inmiddels weggeslikt maar de Indonesiëblues bleef......

Anne Mieke









Need information about Flores? Take a look at the website "FLORES SURGA KITA" https://www.travel2flores.info/ (including many photo's) Avatar: Sarotari, Larantuka, the exact place the Palmerah bridge will be built. http://www.tidalbridge.com/

henky
Gebruiker
spacer line
 

Zieleffe,

Volgens mij is de foto op Midden - Terschelling genomen. Het is met de waddeneilanden net als met de Indonesische pulau2. Het is moeilijk te zeggen welke de mooiste is, het gevoel speelt een grote rol. Overal springt er wel iets uit. De stranden van Ambon kunnen bijvoorbeeld niet tippen aan die van Java, Bali en Lombok.
H.



Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Voor de liefhebbers ga ik nog even door met een reisverslag van West Sumatra, een gebied dat ik iedereen kan aanbevelen.

Dag 14 10-09-1996, BUKITTINGGI - MANINJOU TOUR

Voordat ik verder ga met mijn verhaal, wil ik even twee uiterst belangrijke feiten onder de aandacht brengen. Het eerste is dat de Minangkabau tot de vriendelijkste mensen van Indonesië behoren. Het tweede feit is dat de Minanghooglanden bekend staan als een der mooiste gebieden van het land.
Na twee dagen Bukittinggi moesten we al toegeven dat beide beweringen juist bleken te zijn. Hoewel de meeste mensen die we in Indonesië hebben ontmoet erg vriendelijk waren, moesten ze het toch afleggen tegen de Minangkabau, terwijl het gebied waarin die gasten leven van buitengewone schoonheid bleek te zijn.
Tot nu toe hadden we nog slechts een klein deel van het landschap gezien. De excursie van de vorige dag leidde ons naar het zuidelijke deel van het hoogland, die van vandaag zou naar het westen gaan.

Om half acht klauterden we uit bed en een half uur later zaten we aan de kouwe hap, dat een tikkeltje eentonig begon te worden. Het hotel had geen echte eetzaal, maar de ontvangstruimte bevatte een vijftal tafeltjes met vier keer zoveel stoelen, waarvan enkele met uitzicht op de balie en de receptionist. Deze laatste was tevens de beheerder en regelde ook de maaltijden, meestal in gezelschap van een andere gozer met een schort voor.
Behalve onze tafel was nog een andere tafel bezet met twee Hollanders en zat de snuiter met het schort en een griet met een stofdoek op een bank naar de televisie te kijken. De twee landgenoten hadden een flink aantal koffers en tassen naast zich staan, zodat we aannamen dat ze zouden vertrekken.

Om negen uur werden we opgehaald en zagen dat ook de beide Hollanders in het busje stapten, terwijl de chauffeur en de gids (dit keer verschillende mensen) hun koffers naar binnen hezen. De twee medereizigers stelden zich aan ons voor als Jill en Nel en vertelden dat ze een weekje naar Maninjou zouden gaan. Jill had zo'n vijftig jaar geleden in dit gebied een flink stuk van zijn jeugd doorgebracht en wilde controleren of alles nog een beetje hetzelfde was. De excursie naar Maninjou hadden ze al eens eerder meegemaakt, maar het plaatsje was hun toen zo goed bevallen, dat ze er nu een week lang wilden vertoeven.
Een paar straten verder kwamen nog twee Duitse meiden (veertigers zo te zien) ons gezelschap houden en was het busje nagenoeg vol. De meiden spraken behoorlijk goed Engels en een beetje Duits.

We reden in westelijke richting en bereikten na een klein kwartier het plaatsje Kota Gadang, waar we twee dagen geleden met Erik hadden rondgelopen. De eerste stop was natuurlijk bij een zilversmid.
Paula en ik hadden er geen trek in om naar binnen te gaan, maar toen we waren uitgestapt liepen we Erik tegen het lijf. Deze was verbaasd ons hier aan te treffen en stelde ons voor aan zijn schoonzus, die vanuit een tegenover liggend huis kwam aangeslenterd. We kletsten wat terwijl we wachtten op onze medereizigers, die aardig wat zilver aan het inslaan waren. Na een klein half uur kwam de hele bups weer naar buiten en namen we afscheid van Erik.

De tocht werd voortgezet door een bergachtig gebied. We reden aardig omhoog en kregen fraaie vergezichten voorgeschoteld. Het landschap was dicht bebost, maar tussen de bomen door zagen we ver onder ons grote rijstterrassen en kleine dorpjes liggen.
Na een klein uur kwamen we in de buurt van het stadje Matur. Enkele kilometers daarvoor bereikten we een behoorlijk hoog punt en werd gestopt bij een restaurant, dat daar niet toevallig bleek te zijn neergezet. Van hieruit hadden we een schitterend uitzicht over een groot dal, dat bezaaid lag met rijst- en andere velden, die aan alle kanten waren omgeven door dicht begroeide berghellingen.

Nadat we een kwartier lang van al dat fraais hadden genoten, genoten we nog een kop thee van 1.000 rp. Bij het afrekenen wonden de Duitse meiden zich enorm op en weigerden zoveel geld voor de thee te betalen, omdat ze ergens anders nooit meer dan 400 rp. voor dat spul moesten neertellen. Het meisje bij de kassa haalde hulpeloos haar tengere schouders op en bleef zelfs glimlachen toen de Germaanse grieten twee briefjes van 500 neertelden en vonden dat het meer dan genoeg was. Zonder morren werd dat bedrag door het juffie met een glimlach geaccepteerd, terwijl ook de gids beaamde dat het zo wel mooi was.

Na het incident werd de rit weer vervolgd en passeerden we opnieuw een bende groen. Na een korte afdaling, ging de weg opnieuw omhoog en enige tijd later was er van het dal niets meer te bekennen. We zagen alleen maar dicht met tropisch regenwoud begroeide berghellingen. Kort daarna werd de weg weer vlak en zag ik tot mijn verbazing dat het bos had plaatsgemaakt voor velden met suikerriet. Ik wist niet dat dat goedje op zo'n hoogte kon groeien.

Even later bereikten we de op 1.400 meter hoogte gelegen Puncak Lawang, de Lawangtop, vanwaar we volgens de gids een prachtig uitzicht over het Maninjoumeer moesten hebben. We zagen een laag stenen muurtje, een paar betonnen palen en een afdak erboven. Jill rende er naar toe en ik volgde hem op de voet. Toen ik over het muurtje keek ontwaarde ik alleen maar wat struikgewas en voor de rest een dicht wolkendek zover het oog reikte. Met enige verbazing keek ik toe hoe Jill een statief aan het openklappen was en daar een zeer professionele videocamera op bevestigde. Het kostte hem een kwartier, maar het uitzicht veranderde daardoor niet.
Hoewel we de enige bezoekers waren, zat naast de uitkijkpost een vrouw met een mandje pinda's en een bak met stukken suikerriet voor zich op de grond. Ze was vriendelijk en liet ons wat van haar lekkers proeven. Terwijl Paula en Nel een babbeltje met haar maakten, de Duitse meiden de gids gezelschap hielden en de chauffeur achter het stuur in slaap was gesukkeld, zei Jill me dat ik even geduld moest hebben. Hij kende de situatie hier goed en was er zeker van dat we het meer dadelijk te zien zouden krijgen. Dat had hij mij niet hoeven te vertellen, want ik wist ook wel dat deze excursie ons uiteindelijk naar het meer zou voeren.

Kort hierop begon het te waaien en zagen we gaten in de mist ontstaan, waardoor we een glimp van het blauwe meer opvingen en wat stukken groen. De gaten dichtten zich weer, maar de bewolking brak nu op een andere plaats en er kwam opnieuw een stuk blauw water te voorschijn, maar dit keer in gezelschap van een met oerwoud bedekte heuvel. Steeds weer zagen we stukken van het meer, telkens op een andere plek. Het was een wat vreemd maar uiterst fascinerend schouwspel, om op deze wijze steeds weer stukjes van het meer te zien verschijnen en daarna weer langzaam te zien vervagen. We kregen wel een aardige indruk wat we straks beneden konden verwachten. Het meer zag er kerngezond uit en bleek aan alle kanten te zijn omgeven door dicht begroeide bergen.

Na een half uur begon Jill zijn apparatuur af te breken, waarna we afscheid namen van de vriendelijke verkoopster, die goede zaken had gedaan.
In plaats van in de auto te stappen staken we de weg over, waar een smal pad dwars door een suikerrietveld leidde. Een kleine honderd meter verder kwamen we uit bij een echte suikerfabriek. Tenminste, zo noemde de gids de armzalige plaggenhut, waarin een primitief raderwerk stond opgesteld met een lange stok daaraan bevestigd. Met behulp van een paard kon het rad in werking worden gezet, maar helaas was er in geen velden of wegen een paard te bekennen.
Jill had een dergelijke installatie al eens eerder gezien en deed voor hoe een dikke suikerrietstengel tot pulp kon worden gemalen. Nel mocht daarbij een Minangs trekpaard imiteren door met de stok stevig in haar handen een paar rondjes voort te sjokken, waarbij Jill haar aanmoedigde.

Zodra we wisten hoe de bruine suiker werd gemaakt, mochten we eindelijk vertrekken. Er werd een flink eind teruggereden, maar vlak voor Matur bereikten we de weg naar Maninjou. De suikerriet maakte daar weer plaats voor met bomen en struiken begroeide bergen.
We bereikten het dorpje Embun Pagi, dat morgendauw betekent en op 1.100 meter hoogte ligt. Het plaatsje geniet enige bekendheid, doordat kinderen hier zelfgemaakte papieren bloemen aan bezoekers trachten te verkopen. Van de kinderen was nu echter geen spoor te bekennen, maar toen we langs een schooltje reden, waar uit een van de ramen luid gezang opklonk, snapten we ook waarom.

Even buiten het dorp werd gestopt op een plek vanwaar we een fraai uitzicht hadden over het gehele meer. Omdat we een paar honderd meter lager stonden dan eerder die morgen, werd het uitzicht niet gehinderd door wolken. Het meer zag er indrukwekkend uit. Van deze afstand was goed te zien dat het om een kratermeer ging. Aan alle kanten was het omgeven door dichtbeboste berghellingen. De meeste waren zo steil dat het een hele toer zou zijn om ze te beklimmen.
Hoewel ik al aardig wat fraaie meren had gezien, moest ik eerlijk toegeven dat deze toch de meeste indruk op me maakte. De gids vertelde dat het meer maar van twee kanten met de auto kon worden bereikt. Recht tegenover ons aan de overkant van het water, leidde een weg naar Tiku, een kleine havenplaats aan de westkust van Sumatra.

Vlak voor ons liep de hoofdweg die we tot nu toe hadden afgelegd steil naar beneden. De gids vertelde dat deze weg naar het plaatsje Maninjou zelf voerde en dat we de afstand daarheen (een uur) lopend mochten afleggen. Niemand had bezwaar, zodat we direct op pad gingen en het busje in de diepte zagen verdwijnen.
Omdat de weg in totaal 44 haarspeldbochten telde en deze allemaal waren voorzien met een bordje met het nummer erop, waren we zelf wel in staat te bepalen hoe ver we waren en hoe ver we nog moesten.
De wandeling was buitengewoon mooi en voerde ons langs een vrij gecultiveerd landschap. Geen oerwoud hier maar enkele kleine plantages, fraai aangelegde tuinen, wat villa's en veel kleine huisjes, waar omheen allerlei bedrijvigheid heerste.
Bij elke woning werden we aangeklampt door vriendelijke bewoners, zodat we niet erg opschoten. In een van de tuintjes die we passeerden stond een boom met kleine oranje vruchten, die zelfs Paula en Jill nog nooit hadden gezien. De vrouw die in de tuin aan het werk was, begon meteen de laatste zes vruchten van de boom te plukken om ze ons te laten proeven. Ze vertelde ook de naam van de vrucht, maar omdat ik vlak daarvoor de laatste pen die ik bij me had aan een klein meisje had gegeven, heb ik die niet kunnen opschrijven.
Bij een ander huis stonden twee oude vrouwen rijst te stampen met een halve boomstam en gingen meteen in de houding staan voor een foto.
Omdat we steeds lager kwamen, kregen we na elke bocht weer een heel andere indruk van het meer, dat steeds groter leek te worden. Toen we bocht 38 passeerden, was ik er stellig van overtuigd dat wanneer we beneden waren het meer wel eens groter zou kunnen zijn dan het Tobameer.

Na een uur waren we pas bij bocht 33, hoewel we enkele bochten hadden afgesneden door via smalle paadjes een stuk af te steken. Het nadeel was dat je dan altijd weer op plaatselijke bevolking stuitte, die op een ouwehoerpraatje uit was. "Waar ga je heen?, Hoe heet je?, ach je kent het ritueel inmiddels wel.
Bocht 25 werd na twee uur pas bereikt en bij bocht 23 stond het busje. De gids keek wat verwijtend op zijn horloge en was een beetje boos dat we er zo lang over deden. We stapten in maar bij bocht 21 moest weer worden gestopt, omdat een zooi apen de rijweg in bezit had genomen. Sommigen kwamen meteen op ons af, maar omdat we geen apennoten op zak hadden, waren we genoodzaakt om de ramen te sluiten. Na een minuut of vijf ging de fauna er weer vandoor en konden we onze weg vervolgen.
De weg eindigde in Maninjou. Bij de enige viersprong die het plaatsje rijk is, werd in noordelijke richting afgeslagen. We reden bijna een kilometer langs het meer en stopten uiteindelijk bij een restaurant dat natuurlijk ook aan het water was gelegen. Het was de bedoeling dat we hier de lunch gebruikten.
De gids stak niet onder stoelen of banken dat we een flink eind achter lagen op het schema. Jill zei dat dat nog wel meer zou worden, want er moest nog een hotel worden gezocht voor hem en zijn vrouw. De gids zei niks meer en ging heen.

Wij zochten een tafel op met uitzicht over het meer. De zon scheen en het meer was zo blauw als een meer maar zijn kon. Enkele vissersbootjes dobberden rond, maar voor de rest was er geen bedrijvigheid. We lieten wat eten en drank aanrukken en deden verder niks anders dan genieten.
Na een uur kwam de gids weer aandraven en zei tegen Jill dat we op moesten schieten met het zoeken naar een hotel. Jill en Nel stonden op en wij volgden hun voorbeeld. Maninjou leek ons ook wel wat en omdat mijn rug problemen voor nog meer problemen konden zorgen bij lange busreizen, was "Alternatief Vier" van mijn reisschema plotseling buitengewoon actueel geworden. We hadden razendsnel besloten om ook maar enkele dagen in deze plaats te blijven, zodat het ons geen gek idee leek maar vast een hotel te regelen.
Terwijl het Duitssprekende deel van het gezelschap achterbleef en alleen een beetje naar ons zwaaide, stapten we in het busje. Even ten noorden van het restaurant bezochten we een luxe hotel, genaamd Pasir Panjang Permai. Vrij chique allemaal met een overdreven nederige bediening. We kregen een rondleiding maar Jill hield het al spoedig voor gezien. De gids vond het een uitstekend hotel, maar toen Jill hem zei dat ie daar dan maar zelf een paar dagen moest gaan zitten, zei hij niks meer.
We reden vervolgens naar het "centrum", dat niet veel meer inhield dan de viersprong en een plein ernaast en sloegen rechtsaf. Na honderd meter eindigde de weg bij het meer, maar er stond nog wel een hotel in de weg.
Het Maninjou Indah Hotel had uiterst vriendelijk personeel, maar dat was het enige lichtpuntje. De kamers stelden weinig voor en alleen enkele dure exemplaren, die niet erg schoon waren, keken uit op het meer. De gids maakte een hopeloos gebaar, maar van een van de hotelbedienden kregen we een ander adres, dat een paar honderd meter verder in zuidelijke richting lag.

"Mutiara" heette het spoedig gevonden guesthouse, dat weliswaar niet groot was maar toch uit drie verdiepingen bestond. De eigenaar was een grappige vent en liet ons de kamers zien. Op de eerste etage liepen we een gang door die eindigde bij een groot balkon met uitzicht op het meer. Aan het balkon grensden twee ruime kamers. De man vroeg wel 60.000 rp. per kamer, maar na wat onderhandelen, kregen we de prijs omlaag tot 36.000 rp. Weliswaar was er geen ontbijt bij, maar gezien de ligging waren we dik tevreden. Paula en ik reserveerden meteen een van de twee kamers die aan het balkon grensden en Jill en Nel namen de andere in bezit.
We namen afscheid van het tweetal en volgden de gids weer naar het restaurant, waar de twee meiden ook direct naar het busje werden gedirigeerd. Deze haast was een beetje overdreven, want we zaten er nauwelijks in of de gids en chauffeur vroegen ons toestemming om te mogen bidden. Het was de tijd voor het avondgebed en daar de Minangkabau trouwe moslims zijn, konden zij daar niet onderuit.
Een klein kwartier later waren we weer op weg naar Bukittinggi. Vlakbij de markt stapten de beide Duitsers uit en vijf minuten later waren we ook weer thuis. Het was intussen al tegen achten.

Na wat badkamercapriolen (douchen en omkleden met een rug blessure is altijd afzien) wandelden we de hoofdstraat in voor een warme hap. Dit keer kozen we voor de Rendez Vous Coffeeshop. Ook een van de bekendste restaurant in de Jalan A. Yani, waar het eten redelijk was. Daarna dronken we nog wat bij de Cosy Cave waar voor een redelijke prijs redelijk bier werd geserveerd. Tegen elven waren we weer terug in Orchid, waar de bedden er weer redelijk bijlagen.




Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Elsbeth, ik probeer je een mail toe te sturen naar jouw opgegeven mailadres (p.simonEmail-adres is vervormd om spam tegen te gaan. Klik hier om naar het profiel van deze gebruiker te gaan.worldonline.nl), maar ik krijg hem steeds weer terug. Weet je zeker dat het adres juist is? Stuur mij anders even een mail op een van mijn adressen henkrijnhoutEmail-adres is vervormd om spam tegen te gaan. Klik hier om naar het profiel van deze gebruiker te gaan.hotmail.com of henkrijnhoutEmail-adres is vervormd om spam tegen te gaan. Klik hier om naar het profiel van deze gebruiker te gaan.gmail.com, zodat ik een reply kan sturen.



Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Elsbeth, het e-mail adres dat je me hebt opgegeven (p.simonEmail-adres is vervormd om spam tegen te gaan. Klik hier om naar het profiel van deze gebruiker te gaan.worldonline.nl), werkt niet. Ik krijg mijn mail steeds weer terug met een mededeling dat mijn mail niet bezorgd kan worden. Weet je zeker dat het e-mail adres juist is? Ik heb diverse reisverslagen over Sulawesi maar die zijn niet van mezelf, zodat ik die niet hier kan plaatsen. Wanneer mensen mij om informatie vragen over Zuid Sulawesi, mail ik hun die en krijg regelmatig een verslag na afloop van hun reis.

Op 17 oktober vertrek ik weer voor 6 weken naar Sulawesi maar voor het zover is, zal ik hier elke week nog een verslag van mijn bezoek aan West Sumatra (1996) plaatsen. Voor de liefhebbers.

Dag 17 13-09-1996, MANINJOU
Het werd eentonig want we stonden alweer om half acht op. Bij gebrek aan ontbijt begonnen we de dag met het drinken van thee op het balkon, die beide wel aanwezig waren. Ook Jill en Nel waren al op en bleken zelfs al gegeten te hebben. Ze hadden zelf brood gekocht en aten dat op met jam. Als we trek hadden dan mochten we ook wel wat.
Nee, we hadden wel trek maar onze voorkeur ging toch uit naar iets anders. Dat iets anders konden we ons ongetwijfeld wel in een van de in de buurt liggende restaurants bemachtigen.

Tegen half negen brachten we een bezoek aan "Bobo Coffeeshop" en stonden oog in oog met het meisje, dat we vorige avond al van enige afstand hadden gezien. Ze zag er dichtbij nog een stuk mooier uit, was buitengewoon vriendelijk en sprak redelijk goed Engels. Voor de rest deed ze niks anders dan glimlachten, bedienen en straatkatten wegjagen, die een ware plaag waren in het open restaurant.
Eindelijk kregen we weer eens een fatsoenlijk ontbijt voorgeschoteld met gebakken eieren en veel vruchtensalade. We beloofden de Minangse Mona Lisa dat we die avond weer van de partij zouden zijn.

We hadden er niet veel zin in om het grootste deel van de dag op het balkon door te brengen. Toen ik over de balustrade keek, zag ik dat er volop bedrijvigheid heerste op en langs het meer. Een paar buurvrouwen stonden tot hun middel in het water en wasten kleding. Een paar andere buurvrouwen stonden ook tot hun middel in het water en wasten zichzelf. Verder waren er wat vissers in kleine bootjes, die netten aan het uitzetten waren. Aan de oever van het meer waren nog wat naakte kinderen aan het spelen, terwijl hun moeder met een vreemd net achter een school kleine visjes aan waadde. Toen het net werd opgehaald zat er flink wat in.

De beste manier om wat meer van het meer te zien, is natuurlijk met een boot. Omdat er echter in geen velden of wegen rondvaartboten te zien waren en zelfs ook op het meer niet, zochten we naar een andere mogelijkheid. We vonden deze bij een klein guesthouse dat naast Mutiara stond. Op een bordje voor de deur stond: "Fietsen te huur". Dat verklaarde meteen het zestal mountainbikes dat in de tuin stond. De prijs per fiets bedroeg 5.000 rp. per dag, hetgeen we behoorlijk goedkoop vonden. De fietsen zagen er uitstekend onderhouden uit, zodat we niet meer verder zochten.
Nel had wel verteld dat fietsen het beste in het "centrum" konden worden gehuurd, want daar waren ze maar 4.000 rp., maar wij zeiden daarop dat we nu na een zware fietstocht minder ver behoefden te lopen om naar Mutiara te komen. Jill en Nel hadden twee dagen geleden ook een fiets gehuurd en in noordelijke richting langs het meer gereden. De weg was uitstekend. Na twintig kilometer hadden ze het plaatsje Mukomuko bereikt, dat aan de westelijke oever van het meer ligt en waar de hoofdweg afbuigt naar Tiku. Ze vonden het ver genoeg, vooral toen ze hoorden dat de weg langs het meer verderop een stuk slechter was. Hoe slecht wisten ze niet.
Dat het een aardige tocht zou worden, zat er dik in want het meer was wel 17 km. lang en 8 km. breed, maar volgens de kaart was er wel een weg rondom het meer. De eigenaar van de fietsen zei ons dat het met een mountainbike in 8 uur was te doen, daar de afstand ongeveer 65 km. bedroeg. Toen ik zei dat dat binnen 3 of 4 uur dan wel bekeken moest zijn, lachte hij raadselachtig.

Om tien uur vertrokken we in zuidelijke richting en waren spoedig het dorp uit. De asfaltweg werd buiten Maninjou wel een stuk smaller, maar was toch redelijk begaanbaar. De eerste kilometers was de weg vrij vlak met aan weerskanten rijstvelden, waar kleine ploegjes mensen aan het oogsten waren. Iedereen zwaaide vriendelijk naar ons.
Na een kwartier veranderde het wegdek echter drastisch. Veel kuilen en het asfalt begon langzaam plaats te maken voor zand en grind. De rijstvelden waren ook verdwenen en hadden het veld moeten ruimen voor een aanmerkelijk ruigere begroeiing. Aan de linkerkant had een met bomen en dicht struikgewas bedekte heuvelrug de weg bereikt, terwijl aan de andere kant het blauwe meer snel naderbij kwam en slechts een smalle strook bomen en ander groen nog als buffer diende. Tot overmaat van ramp begon de weg plotseling flink te stijgen en vervaarlijk te kronkelen. Paula nam niet eens de moeite om de derailleur uit te proberen en stapte meteen af. Gelukkig was de stijging maar van korte duur en werden we een paar honderd meter verder beloond met een prachtig uitzicht over het meer.

De weg ging hierna meteen weer steil omlaag, maar omdat het aantal kuilen alleen maar toenam, was lekker hard rijden er niet bij. Aan de voet van de helling lag iets dat met enige fantasie een dorp kon worden genoemd. Er stonden wat huisjes aan de kant van de weg en we ontdekten zelfs een kleine warung. We stapten af en gingen op een smal bankje zitten dat ernaast stond.
De eigenaar was verbaasd dat we zijn zaak aandeden, maar de man was een en al vriendelijkheid. Toen we thee bestelden moest hij heel even diep nadenken, maar liep toen naar een huisje dat schuin tegenover de warung stond.
Een minuut of tien later kwam een plaatselijke schone twee glazen thee op een dienblad brengen. Een hoop gegiechel volgde toen ik vroeg wat het gloeiendhete spul kostte, maar uiteindelijk was ze toch bij machte om 200 rp. te vragen. Het bleek zelfs het totale bedrag te zijn. We hadden niet kleiner dan 1.000 rp en zeiden dat het zo wel goed was. Ze snapte er niks van en de eigenaar van de warung werd er weer bijgehaald.
Terwijl wij ons te goed deden aan de hete thee die, hoewel we zonder suiker hadden besteld, mierzoet was, kwam het wicht in gezelschap van de warunghouder weer op ons af met een stapeltje 100 rp. biljetten. "Wegwezen", zei ik streng. Het hielp niks. Pas toen ik het geld aannam en het daarna weer aan het meisje gaf, snapte ze het. Een blik vol ongeloof was het gevolg, waarop het meisje het wisselgeld weer aan de baas teruggaf, die een diepe buiging maakte (naar ons, niet naar het meisje). "Ik drink geen thee meer vandaag", zei ik tegen Paula....

We vervolgden onze rit en concludeerden dat de weg er intussen niet beter op was geworden. Geleidelijk aan werd het asfaltgedeelte steeds minder, terwijl het aantal kuilen gestaag groeide. Daarnaast zagen we steeds meer zand en kleine keien.
Het landschap was wel een stuk beter. Veel bos en mooie doorkijkjes op het meer en de daarachter liggende bergen. Nog steeds reden we in de lengterichting langs het meer en ik begon me af te vragen hoe lang het nog zou duren, voordat we de zuidkant ervan zouden bereiken. Vlakke gedeelten zagen we ook steeds minder en Paula stapte regelmatig af, zodra er weer geklommen moest worden. Af en toe passeerden we kleine nederzettingen en werden soms door de inheemse bevolking lang nagestaard.

We hadden net weer zo'n negorij bereikt, toen het begon te regenen. Regen overdag verbaasde ons niet zo zeer, maar meestal gebeurde dat pas om een uur of vier in de middag. Het begon nu wel aardig vroeg op de dag. Eerst voelden we een paar druppels, maar vrij kort daarna ging het zo hevig tekeer, dat verder doorrijden weinig zin meer had.
We zetten onze fietsen onder een boom en liepen op een stenen bungalow af, die aan de kant van de weg stond. Er was een breed afdak voor en we gokten het er maar op dat de bewoners er geen complex van zouden krijgen, wanneer we hier eventjes zouden schuilen. De regen kwam met bakken uit de hemel en ik zag dat het zadel van mijn fiets intussen ook al drijfnat was. Dat van Paula niet want daarop lag een opgevouwen handdoek om zadelpijn te voorkomen.
Na een minuut of vijf kregen we gezelschap van twee Australische gozers, die we de dag ervoor ook al enkele keren waren tegengekomen. Ook zij waren op de fiets, maar het noodweer had zo te zien duidelijke sporen op hen achtergelaten. Eigenlijk had schuilen voor hen geen zin meer. Het waren wel de eerste fietsers die we onderweg tegenkwamen. Tot nu toe hadden we slechts twee kleine busjes gezien, die er zo aftands uitzagen dat ze voor het vervoer in de stad vermoedelijk waren afgekeurd.
We kletsten wat met de Aussies over het weer en zo en waren er inmiddels wel achter dat het huis op dit moment geen bewoners herbergde. Waarschijnlijk een vakantieverblijf van een rijke Javaan of stadse Minangkabau.

Eindelijk dreef de bui weg en klaarde de lucht wat op. Een minuut later was het alweer bloedheet en hoorden we de vele vertrouwde vogelgeluiden. We namen afscheid van de twee medeweggebruikers en volgden na hen onze weg.
Hoewel de weg er door de regen nog beroerder bijlag was deze nu wel geruime tijd vlak. De kuilen waren tot de rand gevuld met water, zodat je niet wist hoe diep ze waren. Het gevolg was dat we na een kwartier onder de modder zaten. Het asfalt had er intussen de brui aan gegeven en had plaats gemaakt voor keien, kiezels en grint. Voor de rest was het zand en blubber.
Toch duurde het nog een kwartier voor we de zuidkant van het meer bereikten, zodat we het eindelijk in volle lengte konden aanschouwen. Het ging nu echter weer steil omhoog, zodat Paula van haar fiets stapte. Ik wandelde maar eventjes mee, want de weg was hier bar slecht.
Er volgde een gedeelte dat zeer heuvelachtig mag worden genoemd met fraaie uitzichten over het water. Zolang we reden hadden we echter geen tijd om daarvan te genieten, want we moesten echt alle aandacht op het wegdek richten. Tot overmaat van ramp begon het opnieuw te regenen en moesten we ons haasten om net voor het ergste begon een schuilplaats te vinden.
Weer hadden we geluk, want net nadat de weg een scherpe bocht maakte, zaten we meteen midden in een klein gehucht. We telden enkele tientallen huisjes maar zagen daartussen ook een warung met een gespannen zeildoek op palen ervoor en enkele stoeltjes daaronder. Op twee daarvan zaten de Australiërs die op het punt stonden om te vertrekken. Voordat de regen goed losbarstte zaten wij er ook.
We bestelden een flesje water en moesten wat gemopper van een der Aussies aanhoren, die pijnlijk in zijn kruis tastte en met een plat Brisbanes accent verkondigde dat hij "zijn ballen naar de klote had gereden op die rot fiets".
We hadden even met de snuiter te doen, vooral toen hij bij het opstappen bijna van de sokken werd gereden door het derde gammele busje, dat op hetzelfde moment voorbij kwam en een vreemde schuiver maakte, toen het door een diepe plas reed.

De regenbui was dit keer van korte duur, zodat we het er maar weer op waagden. De weg bleef afgrijselijk slecht, maar de werkelijk adembenemende uitzichten over het meer waren zo boeiend, dat we regelmatig stopten. Aan de andere kant van de weg was nog altijd een groene wildernis, die hier en daar werd opgefleurd door kleurrijke bloemen.
Het was bijna niet te geloven, maar de weg werd nog beroerder. De kuilen waren soms zo groot dat ze de weg in volle breedte besloegen, zodat we dicht langs de kant door struikgewas moesten banjeren. Moeizaam kwamen we vooruit en net toen we weer in staat waren om een stuk rijdend af te leggen, begon het weer te regenen. En opnieuw bracht een klein plaatsje, dat meer uit hutten dan huisjes bestond, redding. Dit keer was er nergens een warung te bekennen, maar voor een kleine hut zat een echtpaar op leeftijd naar het verkeer te kijken. We stapten af en de vrouw gebaarde dat we naar hen toe moesten komen en op een gammel bankje plaatsnemen. Dat waren we toch al van plan, want er was een zwaar verroest zinken afdak boven.
De mensen zeiden niet veel maar zaten wel constant naar ons te kijken. Toen Paula hen vroeg hoe lang het nog duurde voordat de weg beter zou worden, wisten ze daar geen antwoord op te geven. Vermoedelijk waren ze nooit verder geweest dan hun dorp. Na een minuut of tien was het droog. Paula stopte de oudjes 5.000 rp. toe, waarop ze ons zo overdonderd aankeken dat ze vergaten te zwaaien toen we wegreden.

Hoewel we maar weinig opschoten, werd de afstand die we nog moesten afleggen toch steeds minder. Ik vreesde wel dat wanneer de weg zo slecht bleef, het wel eens nachtwerk zou kunnen worden voordat we Maninjou bereikten. Ik moest er ook niet aan denken wat we moesten beginnen als we een lekke band zouden krijgen. Spullen om een band te plakken waren natuurlijk nergens te krijgen (ik had nog geen enkele fiets gezien in de gehuchten waar we doorheen waren gekomen), laat staan een fietspomp. Alleen was er genoeg water om het lek te vinden. Het was maar goed dat de natuur zo buitengewoon fraai bleef.
Op enige afstand van ons belemmerde een kleine met bos bedekte heuvel het uitzicht over het gehele meer. Ik wist dat er aan de westkant van het meer een smal schiereiland moest liggen. Nu we dit zagen, wisten we dat de weg over niet al te lange tijd weer naar het noorden zou afbuigen. Dat was weliswaar een hele geruststelling, maar betekende ook dat we nog lang niet op de helft zaten.

Vlak voor de in het vooruitzicht gestelde bocht naar rechts bereikten, kwamen we een vrachtauto tegen die een hoop kabaal maakte. Het ding zat vast in de modder en een tiental potige inlanders met ontbloot bovenlijf was druk in de weer om het voertuig uit zijn benarde situatie te krijgen. Onder het slaken van woeste strijdkreten werd hevig geduwd, maar de pogingen bleven voorlopig vruchteloos.
Toen wij voorbijliepen (fietsen was hier niet mogelijk) staakten ze de strijd en begroetten ze ons uitbundig met een zooi bekende vragen. Ze zwaaiden ons na tot we om de bocht van de weg waren verdwenen.

Eindelijk, we gingen naar het noorden. Links van ons werden de bergen hoger en steiler en was de begroeiing nog dichter. Aan de rechterkant zagen we eveneens een weelderige plantengroei, maar daartussen konden we in de diepte het meer zien. De toestand van de weg veranderde hier. De losse keien werden wat schaarser, maar de hoeveelheid zand vormde nu het belangrijkste bestanddeel. Het aantal kuilen bleef echter hardnekkig stand houden.
We kwamen nog steeds moeizaam vooruit, maar het was droog en de lucht was zo verschrikkelijk strakblauw, alsof het in maanden niet had geregend. Dat was maar goed ook, want nederzettingen kwamen we hier voorlopig niet meer tegen.
Paula begon last van zadelpijn te krijgen en kwam tot de ontdekking dat de handdoek was verdwenen. In dergelijke gevallen zijn er altijd maar drie oorzaken: weggegeven, gejat of verloren. Omdat de eerste twee afvielen, bleef alleen de laatste mogelijkheid over. Overigens wel de enige mogelijkheid met een redelijke kans op terugkrijgen. Ik stelde dus voor om gewoon maar terug te rijden, totdat het verdwenen voorwerp weer werd teruggevonden. Paula vond dat echter geen goed idee en omdat het haar handdoek was, werd de weg weer vervolgd.

Het was nog een barre tocht voordat we het schiereiland bereikten. Ook hier was de natuur weer griezelig groen, maar ook grillig. Omdat ik inmiddels pijn in mijn vingers had gekregen van het vele remmen, fotograferen en filmen, was ik niet meer bij machte om al dit fraais nog vast te leggen.
Kort nadat we de landengte van het schiereiland waren overgestoken, kwamen we een tegenligger tegen. De derde fietser die dag. Dit keer bleek het een Fransman te zijn, die ons vroeg hoever hij nog moest rijden om in Maninjou te komen. Toen we hem vertelden dat hij beter de andere kant op kon fietsen, hief hij vertwijfeld zijn armen ten hemel en verkondigde dat hij daar juist net vandaan kwam. We stelden hem wat vragen over de toestand van de weg die hij had afgelegd en kregen tot onze opluchting te horen, dat het na een kilometer of vijf beter werd, want daar lag Mukomuko. Als dank legden we hem uit dat de weg die wij hadden gevolgd meer dan dertig kilometer lang afschuwelijk slecht was. Dit hielp want na het slaken van een diepe zucht draaide hij zijn fiets om en ging er zonder groeten vandoor.

Vol nieuwe moed gingen we weer verder. Het wegdek bestond hier alleen uit zand maar was gelukkig vlak. Eindelijk bereikten we weer een klein plaatsje, maar we besloten om niet eerder te stoppen voordat we asfalt zagen. Wel vroegen we een dorpeling hoe ver het nog was naar Mukomuko en kregen te horen dat de afstand nog slechts één kilometer bedroeg. Dat bleek het tien minuten later in een ander gat ook nog te zijn.
Plotseling maakte de weg een bocht en zagen we een redelijk grote plaats liggen van het kaliber als Maninjou. Meteen werd de weg twee keer zo breed, hetgeen werd veroorzaakt door de grote hoeveelheid zand die erop lag. Brede sporen van rupsbanden deden vermoeden dat hier aan de weg werd gewerkt. Van werklui, graafmachines, bulldozers of stoomwalsen was echter geen spoor te bekennen. De weg liep trouwens ook vrij steil omhoog. De laag zand was onbeschoft dik want de wielen zakten er wel tot aan de as in, zodat fietsen weer even moest worden uitgesteld.
Het was behoorlijk ploeteren om boven te komen, vooral omdat de top nog drie bochten verder bleek te liggen. Vanaf de top keken we uit op een soort brug en zagen daarachter de contouren van een dorp.

Slechts één hindernis restte ons nog: de weg ging net zo steil omlaag als we naar boven waren geklauterd. De hoeveelheid zand was nog steeds buitensporig, waardoor fietsen nog niet mogelijk was. Gelukkig kwam daar halverwege verandering in. De weg werd smaller, het zand was platgestampt en daarboven prijkte een splinternieuwe asfaltlaag. Wel bijna een halve kilometer lang.
We sjeesden het dorp in en bereikten de driesprong. En wat je zo vaak hebt bij belangrijke driesprongen was ook hier het geval: er stond een restaurant!
We stapten af en liepen het kleine restaurant binnen, waar een stuk of tien streekbewoners rondom een tafel stond. Aan die tafel zaten er nog vier die een spelletje domino speelden. Niet met stenen zoals bij ons, maar met kartonnen kaartjes. We hebben dat vaak gezien in Indonesië. Het gaat meestal gepaard met veel opgewonden kreten en beschaafde krachttermen.
Toen wij arriveerden werd het spel gestaakt en waren wij degenen waar alle belangstelling naar uitging. En terecht, want we zaten tot ons nek onder de modder. De meesten hadden gelukkig vrij snel door wat we hadden doorgemaakt, zodat we alleen maar de standaardvragen behoefden te beantwoorden. We waren echter wel gedwongen om nog enige tijd te blijven, want op het dak hoorde ik alweer het gekletter van een fikse regenbui.

Een kwartier later was het droog en bijna vier uur. We moesten nog twintig kilometer afleggen, maar men verzekerde ons dat de weg goed was.
De rest van de rit verliep zelfs beter dan we hadden gedacht, omdat we de eerste tien kilometer alleen maar licht bergaf gingen. Halverwege werd vanwege zadelpijn nog één keer gestopt bij een kleine warung en een flesje cola in de keel gekwakt.

De weg tussen Mukomuko en Maninjou was een stuk drukker, maar gelukkig breed genoeg om niet in de berm te worden gedrukt door het toeterende verkeer. We schoten lekker op want de weg was hier uitstekend. Om kwart voor vijf bereikten we Bayur, een gat dat slechts een kilometer of vijf van Maninjou verwijderd lag.
Om vijf uur reden we Maninjou binnen, waar we nog even stopten bij de warung waar we de vorige dag fruit hadden gekocht. Ook nu werd weer een beste voorraad ingeslagen voor een vooroorlogs bedrag, dat door Paula weer flink naar boven werd afgerond.
Even over vijven stopten we bij Mutiara en leverden de fietsen weer in bij de buren. De verhuurder kon ze meteen gaan schoonmaken.

Op het balkon in Mutiara vertelden we onze avonturen aan Jill en Nel. Er werd een Bintang op gedronken en Paula deelde weer vruchten en snacks uit. Jill zette zijn wereldontvanger aan om naar de Nederlandse uitzending te luisteren. We genoten weer van de mooie kleurrijke lucht boven het meer in de ondergaande zon. Waar de zon echter zou verdwijnen, doemde weer enkele grote wolken op. "Het wordt weer niks vandaag", zuchtte Jill en begon zijn cameraspullen op te ruimen.
Die avond zouden we samen met Jill en Nel bij Bobo eten. Jill had verteld dat de kok uitstekend kon koken. Ik zei dat je dat meer meemaakte met koks, maar Jill beweerde dat deze wel zeer bijzonder was. Je kon elk gerecht bestellen wat je maar wilde en dan maakte hij het perfect klaar.

Om een uur of acht schoven we aan en kwam de mooie Minangse compleet met glimlach meteen op ons af. Ja, het eten was inderdaad uitstekend. Het aantal katten was het enige irritante in dit restaurant. Één was zelfs zo brutaal dat hij bij Jill op tafel sprong toen deze net aan de kolossale vis wilde beginnen die voor hem stond. Jill haalde flink uit en de kat vloog over de balustrade het open restaurant uit. Dat beest hebben we nooit meer terug gezien.
Het meisje deed ook haar best om de beesten te verjagen, maar met een bamboehoutje een klap op het tafelblad geven, geeft wel een leuk petsend geluid, maar de katten gingen er niet voor aan de loop. Ik zei nog dat ze niet naast maar tegen de katten moest slaan, maar ze schudde haar hoofd en bleef glimlachen. Nee, de methode van Jill had toch meer effect.





elsbeth
Gebruiker
spacer line
 

He henk, Mr. Jacob, mijn excuses, ik heb inderdaad iets niet goed ingetypt. ik heb je net een mailtje gestuurd op je hotmailadres. Alvast bedankt.

Elsbeth



lunenburg
Gebruiker
spacer line
 

Door mijn werk voor Signaal ben ik dikwijls in Indonesie geweest.
Vaste verblijfplaats was Hotel Sanur Beach op Bali.
Daar maakte ik kennis met een meisje wat bij SANUR BEACH werkte als trainy.
We werden goed vrienden.
Babbelden heel wat af. Toen kwam zij in problemen om dat zij eerst in Sanur Beach vrye kost en
inwoning had. Maar bij haar volgende stage plaats op LOMBOK moest zij wel alles betalen.
Ze zat vreselijk in de put, want het geld daarvoor had ze hiet.
De manager van het hotel vroeg mij of ik haar wilde helpen. Ik wilde haar helpen op voorwaarde dat onze relatie duidelijk moest zijn VADER / DOCHTER.
We zijn nu al 12 jaar berviend en hebben veel contact via E-Mail
Nu ga ik binnenkort voorgoed op Lombok wonen.
Zal haar (en haar zoontje) daar zeker ontmoeten.
Ik houd van haar en ben goede vrienden met haar hele familie. (zoals dat gaat in indonesie.)
Ik hoop haar spoedig terug te zien.
ALFONSO





Mr. Jacob
Gebruiker
spacer line
 

Zoals beloofd nogmaals een reisverslag over West Sumatera voor de liefhebbers. Volgende week plaats ik er nog eentje, misschien over Noord Sumatera. Daarna vertrek ik weer naar Sulawesi tot eind november.

Dag 22 18-09-1996, PADANG AIR MANIS

Door de gebeurtenissen van de vorige avond stonden we pas om half negen naast het bed. Omdat bij de prijs van het hotel geen ontbijt zat, wandelden we meteen naar de binnenstad.
We namen een andere weg dan de vorige dag en liepen door tal van gezellige maar drukke marktstraten. Matahari, een groot winkelbedrijf dat in vrijwel elke stad te vinden is en doorgaans is uitgerust met een goed restaurant, vonden we snel maar het restaurantgedeelte bleek te zijn gesloten. Er zat dus niet veel anders op dan het centrum weer op te zoeken.

In de Jalan Pondok, niet ver van de martabaktent, ontdekten we de Tulip Bakery. Het zag er een stuk professioneler uit dan de Indonesian Bakery, dus we gokten het er maar op dat hier wel koffie was te krijgen.
De eigenaar van de bakkerij was een vriendelijke vent en zette meteen een cassettebandje op met Nederlandstalige muziek. Dat was nu ook weer niet nodig, maar we lieten het maar zo. We aten een paar broodjes en dronken koffie. De meisjes die deze serveerden waren een beetje verlegen maar vriendelijk. Op de menukaart zagen we dat we hier ook 's-avonds goed konden eten.

We hadden natuurlijk nog best een paar dagen langer in Maninjou kunnen blijven en van daaruit rechtstreeks naar het vliegveld kunnen afreizen. De enige reden dat ik Padang in mijn schema had opgenomen, betrof het nabijgelegen badplaatsje Air Manis. Dat plaatsje is te voet vanuit Padang op twee manieren te bereiken. De aantrekkelijkste route is via een stuk oerwoud dat langs de kust ligt.
Na het ontbijt liepen we dus weer verder in zuidelijke richting en kwamen een kwartier later bij de haven uit. Hier staken we voor 200 rp. met een gammel bootje de rivier over.
Aan de overkant kwamen we in een enorme blubberzooi terecht. De weg was volledig opengebroken en de regen van de laatste dagen had hier afschuwelijk huis gehouden. Veel huisjes waren ondergelopen maar er was nauwelijks schade, omdat de meeste bewoners niet veel meer dan een tafel en een paar stoelen bezaten. De televisie stond meestal wel op een verhoging.
Hier en daar waren wat planken op de weg gelegd, maar de meeste waren al diep in de smurrie weggezakt. We liepen met veel moeite langs de rij huisjes en kwamen uiteindelijk op een wat droger gedeelte terecht. De mensen die we tegenkwamen waren buitengewoon vriendelijk en velen deden verwoede pogingen om een praatje met ons maken. We schoten dus niet erg op.

Niet ver van de plaats waar de rivier in de oceaan uitmondde, zagen we een zijpad naar links. Het pad ging vrij steil heuvelopwaarts en leidde naar een oud Chinees kerkhof. We zagen veel vervallen graven en een bende koeien die daartussen aan het grazen waren. Wel een vreemd contrast, maar het stoorde ons niet echt. Het smalle pad ging verder een dicht begroeide wildernis in. Hier en daar waren wat openingen in het gebladerte en kregen we mooie uitzichten op de zee te zien.
Af en toe kwamen we wat groepjes kinderen tegen, die vermoedelijk ergens in Padang op school zaten. Ze keken ons wat verbaasd aan en sommigen waren zelfs zo dapper dat ze ons durfden aanspreken. De weg werd er echter niet beter op. Deze werd steeds smaller en was op sommige plaatsen zelfs nauwelijks nog te zien. We moesten onder halfomgevallen boomstammen doorkruipen of er overheen klimmen. De natuur was hier schitterend en we konden het bijna niet geloven dat we ons nog zo dicht bij een grote stad ophielden.

Eindelijk kregen we door een van de vele doorkijkjes een schitterend wit strand te zien, hetgeen beduidde dat we Air Manis naderden. Het duurde toch nog wel meer dan een half uur voor de weg weer omlaag liep in de richting van het strand. Het pad verbreedde zich iets en ook boven ons zagen we het bladerdak wat wijken en kwam een fikse straal zonlicht het pad verlichten.
De weg kwam uit op het strand. Mooi hagelwit zand met een bende palmen erop en ernaast. We rustten even uit en schoten wat foto's. Er was geen levend wezen te bekennen. We zagen enkele kleine eilandjes verder in zee liggen, maar er was nergens een boot te zien die daarheen ging.

We liepen een stukje verder en bereikten het eigenlijke dorp. Air Manis betekent "zoet water", een naam die ik eerlijk gezegd niet kan verklaren.
Vlak bij het strand zagen we een schooltje met een warung ernaast. Omdat we wel trek hadden om wat te drinken, namen we plaats aan de enige tafel die er stond. Er was nog een bezoeker die onmiddellijk een gesprek met ons begon. Het bleek het hoofd van de school te zijn en hij had blijkbaar niks anders te doen. De man was vriendelijk en toen hij hoorde dat we 45.000 rp. voor onze kamer moesten betalen, werden we uitgenodigd om de volgende keer bij hem te komen logeren voor 5.000 rp. Weliswaar had hij geen warm water maar wel een ontbijt. Hij vertelde dat Air Manis door-de-weeks uitgestorven was, maar in het weekend bomvol zat met dagjesmensen uit Padang.
De school ging uit en een hoop kinderen kwam op de warung afgestormd om voor een muntje van 50 of 100 rupiah wat snoepgoed te kopen. We hadden al diverse keren eerder gezien dat naast een school een warung was neergezet. Het werd zo druk dat we afscheid namen van het schoolhoofd en er vandoor gingen.

We liepen verder door het plaatsje dat niet veel voorstelde en bereikten de hoofdweg naar Padang. Omdat we er weinig voor voelden om dezelfde weg weer terug te gaan en opnieuw in de blubberzooi terecht te komen, begonnen we de asfaltweg maar te volgen. Dat viel aardig tegen, want het eerste half uur ging het alleen maar bergopwaarts.
Het was snikheet weer en we zagen spoedig in dat we een beste blunder hadden begaan door geen fles water te kopen voor onderweg. Hoewel de natuur hier ook schitterend was met fraaie uitzichten over de groene wildernis en de zee daarachter, kwamen we geen warung meer tegen. Bij een houten gebouwtje dat er als een uitspanning uitzag, en het ook bleek te zijn, stopten we maar het ding was gesloten. Wel weer een prachtig uitzicht, maar daar hadden we niet veel oog voor dit keer. Na een kleine rustpauze sjokten we weer verder.
Deze weg bleek een stuk langer te zijn dan de heenweg. Busjes zagen we ook al niet rijden, maar dat verbaasde me niet eens. Die dingen reden hier natuurlijk alleen maar in het weekend, want welke idioot haalt het nu in zijn hoofd om door-de-weeks hier te komen.

Eindelijk na een goed uur afzien zagen we aan de overkant van de weg iets dat op een klein restaurant leek. We liepen er op af en zagen dat er mensen binnen zaten. De tent was aardig vervallen maar gelukkig open.
Aan een tafel zaten verscheidene snuiters een potje uitgelaten te doen met grote flessen Bintang voor hun neus. Ze keken vreemd op toen we binnenkwamen. Een van hen kwam op ons af en vroeg of we ook wat wilden drinken en wees op de flessen die op tafel stonden. Ik zag nu dat er geen bier in de flessen zat en vroeg de knaap wat voor spul dat was. "Sake", riep iemand anders en opnieuw werden we uitgenodigd om mee te drinken.
Toen we zeiden dat we dorst hadden en liever water wilden, kwam een mollige meid met een kan water en twee glazen aangeschommeld. Ze schonk de glazen vol en zette de nog halfvolle kan bij ons neer.
We vonden het vreemd dat hier sake werd gedronken, want dit gebied werd bijna uitsluitend door moslims bewoond. Nadat we onze dorst hadden gelest en wilden afrekenen, kregen we te horen dat we het water niet behoefden te betalen. Wel kochten we nog een flesje water voor onderweg. We namen afscheid van de aanwezigen en vervolgden onze tocht.

We liepen nog geruime tijd door een groene wildernis, maar na een half uur kwamen we af en toe weer wat huisjes tegen. Kort daarna konden we in de verte Padang zien liggen. Een prachtig gezicht om de hele stad en de bergen daarachter van een afstand te zien. Vanaf dat moment liep de weg omlaag, maar het duurde toch nog minstens een uur voordat we beneden waren en de rand van de stad bereikten.
Het eerste wat we zagen was een zestal dokars. De paarden stonden een beetje langs de kant van de weg te grazen en de koetsiers lagen lui in de rijtuigjes. Omdat we er allebei weinig trek meer in hadden om verder lopend ons hotel te bereiken en het ook net begon te regenen, spraken we er één aan en vroegen wat de prijs was naar ons hotel. De knakker vroeg 10.000 rp., maar na enig afdingen werd de prijs gehalveerd.
Het bleek nog een aardig stuk te zijn naar Mayong Sari, maar een half uur later werden we keurig netjes voor de deur ervan afgezet.

Tegen zessen bestelde ik bij de receptie een taxi, waarmee we ons voor 3.000 rp. naar de Tulip Bakery lieten brengen.
De eigenaar was verheugd dat we er weer waren en begon weer Nederlandse muziek te draaien. We lieten de menukaart aanrukken en bestelden wat. Het meisje zei dat ze dat niet meer hadden. We bestelden wat anders, maar dat was er ook niet. Het meisje lachte verlegen en zei dat de meeste dingen op de kaart niet aanwezig waren. Om het haar en ons wat gemakkelijker te maken vroegen we wat er dan nog wel was. Er bleken alleen nog maar hamburgers in de vrieskast te liggen. Nou ja, vooruit maar. Er werden dus hamburgers gegeten die avond. Omdat er verder weinig te beleven viel, keerden we tegen half acht weer met een taxi terug naar Mayong Sari. Bij de receptie regelden we vast vervoer voor de volgende dag naar het vliegveld.




Anne Mieke
Gebruiker
User icon of Anne Mieke
spacer line
 

De eerste rit over de weg op Flores: herinneringen, spuugzakjes en ... "Eindhoven"

Ik had een kaartje gekocht voor de Bajo Express die me in 5 uur naar Ruteng moest brengen.

De minibus had 4 rijen met zitplaatsen. Ik had een plaats op de middelste rij aan de linkerkant. De rit zou door het oerwoud slingeren, letterlijk want tussen de meeste bochten zat geen 100 meter....Uitrusting video met gezellige muziek en een bundeltje plastic (= spuug) zakjes. In Labuan Bajo had ik al een stukje gember gekocht om op te kauwen om het ergste eventueel op te vangen. Verder moest ik me tam houden wist ik.
Het langschap was gorgeous. Hard rijden ging niet door al die bochten en de smalle weg (waar overigens heel weinig verkeer was) Er werd niet veel gepraat, ik was niet de enige potentiele wagenzieke Emoticon: Confused
Op het tv schermpje was een versie van Vaya con Dios (ga met God) te zien, een tekst die ik mijn moeder mee in het graf had gegeven omdat ze zo gek was op Freddy Fender destijds. Country en Western is in Indonesie vooral de laatste jaren erg populair dus wat dat aangaat was het niet zo heel gek maar deze versie was van onze eigen Cats! (die ik zelf ook heb) Ik zat met een gemengd gevoel van genieten verrassing en weemoed zo ontspannen mogelijk mijn lippen stijf op elkaar te houden om mijn rommelende maag de baas te blijven. Er kwam groene afleiding genoeg langs. Nog geen uur onderweg zaten er ook al Floresvlinders in mijn buik. Kon mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik hier nooit eerder geweest was.
De tweede vcd was een Molukse groep muziek. Bali was nu wel heel ver weg. Aan het einde van de vcd verscheen met grote letters EINDHOVEN in de aftiteling....... Ik zat heel mijn verstand te verkijken. Dat kon ik toch niet goed gezien hebben. De chauffeur nam de schijf uit de recorder en stopte er een nieuwe in. Ik begon intussen steeds meer last te krijgen van de vele bochten dus voor de zekerheid greep ik maar vast wat zakjes..... Ik zag intussen zelf groen (maar niet van de mooiigheid) toen we stopten. Er zat maar een ding op alles eruit en een flinke slok water. De chauffeur zei dat ik beter voorin kon gaan zitten, samen met nog iemand die ook groen was geworden. Op het dashboard stond het rekje met de vcd's waar de chauffeur af en toe in rommelde. Ik zag nu toch echt een doosje met EINDHOVEN erop. Ik vroeg de chauffeur of ik even mocht kijken. De cd "Harapan Baru" was van de group Eindhoven. "Inilah kota saya di Belanda, pak en ik wees op Eindhoven........ maksud saya tinggal di Eindhoven....." Er verschenen vraagtekenens boven zijn hoofd. Nogal logisch, die man snapte natuurlijk helemaal niet waar ik het over had. Zal wel gedacht hebben: 'gek mens'.
Enfin, we waren rond 1 uur in Ruteng en om 2 uur had ik mijn cd van de Eindhoven Group! Emoticon: Cooool En een uur later kocht ik er nog maar eentje extra voor het geval dat. Bleek achteraf nog niet zo gek want tig keer gekopieerde vcd's uit Indonesie :"verslijten" of zijn soms gewoon voor helft weg.
Vanaf dat moment wist ik ook meteen dat muziek uit de Molukken erg populair is in Flores want iedere toko had er een flinke voorraad van.
Dat was ook meteen mijn beste herinnering aan Ruteng..... Emoticon: Angry (maar misschien dat ik het over een paar maanden nog maar eens een kans moet geven)

............................................

Op de cd staat een liedje "harinnering in Vaassen" Emoticon: Cry met idd een "a" Emoticon: Wink In............het Nederlands! Nou ja, sort of. Maar het is gewoon zo leuk. Ik heb de vcd voor het eerst in Bajawa (midden Flores) gezien waar ik 'm even mocht proberen in een restaurant waar iedereen overigens aan mijn lippen hing voor vertaling. Maar dat is het hem nu net. Het Nederlands is zo krom (ik bedoel dat niet denegerend want ik vind het eerder geweldig maar het is echt heel slecht Nederlands) dat ik zelfs moeite mee had om er een goede vertaling op de geven. Ik vind het jammer dat ik het niet op het internet gevonden kan krijgen wat ik ook intyp. Hieronder wel een paar andere links van dezelfde group waarbij EINDHOVEN dus duidelijk in beeld komt.


http://www.youtube.com/watch?v=3vq3GkVLmmM

http://www.youtube.com/watch?v=utCCvt-bYA8

http://www.youtube.com/watch?v(...)ZPNE&feature=related
(Molukse dangdut!)

http://www.youtube.com/watch?v(...)-X7Q&feature=related

De muziek heeft voor mij zelfs linken naar het Bataks (ik hoop dat ik niemand beledig). Nu vind ik Bataks als taal ook geweldig maar dat is me echt te moeilijk. Maar Moluks zou ik nog wel eens willen leren; dat moet nog wel (Mo)lukken.

gr
Anne Mieke


Need information about Flores? Take a look at the website "FLORES SURGA KITA" https://www.travel2flores.info/ (including many photo's) Avatar: Sarotari, Larantuka, the exact place the Palmerah bridge will be built. http://www.tidalbridge.com/

Plaats een reactie op dit onderwerp

Je moet ingelogged zijn om een bericht te plaatsen. Je kunt inloggen door hier te klikken.
Als je nog geen lid bent, kun je jezelf hier registreren.


nieuw onderwerp | reageer | nieuwste onderwerpen | actieve onderwerpen | inloggen

9,570,783 views - 117,907 berichten - 9,322 onderwerpen - 6,028 leden
 Gesponsorde links

© indonesiepagina.nl · feedback & contact · 2000 - 2019
Websites in ons netwerk: indahnesia.com · ticketindonesia.info · kamus-online.com · suvono.nl

81,842,154 pageviews Een website van indahnesia.com